Eddy Merckx staat bij de Tourstart in het middelpunt van de aandacht: „Ik denk dat ik er ook wel trots op mag zijn.”

Foto Katrijn Van Giel

‘Ik ben maar gewoon Eddy hè’

Interview | Eddy Merckx, vijfvoudig Tourwinnaar De start van de 106de Tour de France in Brussel staat in het teken van vijfvoudig winnaar Eddy Merckx. „Ik ben niet iemand die veel van het verleden spreekt. Maar ja, nu kunt ge niet anders.”

Op de hoek van de Birrebeekstraat en de ’s Herenweg in Meise, even ten noordoosten van Brussel, gaat maandagmiddag een rolluik met een ratelend geluid omhoog. Door een ronde toegangspoort wordt de binnenplaats van een oude vierkantshoeve zichtbaar, een leeg grasveld in het midden, aan de zijkant een Volvo naast een lege hondenkennel. Boven aan een stenen verhoging met vier traptreden staat de voordeur van het woongedeelte op een kier, maar er is geen mens te bekennen. Het is muisstil.

Dan verschijnt de man des huizes in de deuropening, in een blauw overhemd met korte mouwen, een pantalon, nette zwarte schoenen. Zijn bewegingstempo ligt laag als hij zijn hand uitsteekt en zich voorstelt, alsof hij zo vlak voor de storm die komen gaat op een spaarstand staat. „Eddy, aangenaam”, zegt hij met een voorzichtige glimlach. Echtgenote Claudine Acou komt ook kennismaken, en verdwijnt dan snel naar de keuken.

Eddy Merckx (74) wil vlot op de foto. Hij wordt overvraagd, zo vlak voor Le Grand Départ in Brussel, volledig in het teken van hem, vijftig jaar na zijn eerste en meest imposante Tourzege, in 1969. Hij won er met bijna 18 minuten voorsprong op de nummer twee, en bracht België in vervoering, het wielerland dat al dertig jaar wachtte op een Tourwinnaar van eigen bodem. Sindsdien is Merckx een god in eigen land en ook wel daarbuiten. Hij zou nog vier keer de Tour winnen, en ook vijf keer de Giro, één keer de Vuelta, vier keer werd hij wereldkampioen, hij pakte alle monumentale klassiekers meer dan eens – vandaar die bijnaam Kannibaal, hij vrat zijn tegenstanders met huid en haar op. In een relatief korte carrière won hij 525 wedstrijden. Niemand komt daarbij in de buurt.

Hij poseert buiten leunend tegen een houten steunpilaar. Hoe vaak zou hij dit in zijn leven niet hebben moeten doen, de man die al meer dan een halve eeuw als legende door het leven moet.

Binnen gaan we aan een rechthoekige eettafel zitten. Merckx komt net terug van een interview met de Waalse tv, en past een interview met een Nederlandse krant in „omdat ik al twee Franse journalisten te woord stond”.

Het is nog maar de opmaat voor wat komen gaat, een fractie van de diners en festiviteiten die gepland staan de komende dagen. De weekenden zijn doorgaans voor kleindochter Axana, die hockeyt, of hij fietst een ronde van 75 kilometer met zijn knechten van weleer. Maar van fietsen zal het even niet komen.

Voor hem ligt een pakket A4’tjes met een nietje in de bovenhoek, met de tekst ‘Semaine du Grand Départ’ in kapitalen. Het is zijn programma tot en met maandagochtend, als hij de renners op gang schiet in Binche, startplaats van de derde etappe.

Hij zucht. Daarna is het wel even voorbij toch? „Ik hoop het”, zegt hij ietwat gegeneerd.

Ziet u uit naar wat er de komende dagen staat te gebeuren?

„Het is een herdenking hè, vijftig jaar geleden won ik mijn eerste Tour. Dat is natuurlijk prachtig. Ik denk dat ik er ook wel trots op mag zijn.”

Is het veel wat er op u afkomt?

„Ja, maar dat hoort erbij.”

Voor velen bent u een soort mythische figuur. Hoe is dat?

„Joah, ik begrijp het zelf niet.”

Nee?

„Ik moet waarschijnlijk indruk hebben gemaakt toen ik koerste. En dat is de reden waarom er zo veel kabaal wordt gemaakt. Allez, kabaal is een slecht woord. Gerucht, laat ik het zo zeggen.”

U bent al 41 jaar gestopt en wordt nog steeds op handen gedragen, zeker nu, met de Tourstart in uw naam.

„Na mij, of na mijn generatie, heeft België het minder goed gedaan in de Ronde van Frankrijk. Misschien daarom.”

Dat is ook logisch. U hebt 525 keer gewonnen in 13 jaar tijd.

„Ja, ja. Maar ik ben gewoon Eddy hè.”

Is het niet surrealistisch om daar dagelijks aan herinnerd te worden?

„Dagelijks is veel gezegd, maar toch tamelijk veel, ja.”

In welke vorm, moet u vaak opdraven voor openingen en zo?

„Dat probeer ik zoveel mogelijk te vermijden. Maar ik krijg nog veel post van mensen. Ik vind dat ongelooflijk. Foto’s van alle kanten van de wereld die men opstuurt om te laten ondertekenen, en die ik dan terug moet sturen.”

En u doet dat altijd?

„Ja, absoluut, ja.”

Waarom?

„Om die mensen niet te ontgoochelen. Dat zijn wielerfans, en ik vind dat ik hen iets moet teruggeven. Voor mij is de wielersport mijn leven geweest, ik heb er alles aan te danken. Maar het zal straks na de Tour een stapje minder zijn. Dan kan ik uitrusten.”

Foto Katrijn Van Giel

Hoe is het met uw gezondheid?

„Een tijdje terug ben ik aan mijn heup geopereerd, aan het kraakbeen, een scheur aan de pees, opgelopen toen iemand tegen mijn achterwiel aan reed en ik eroverheen viel. Ik heb meer problemen gehad na mijn loopbaan dan tijdens, op die zware val in Blois na dan.”

Het jaar 1969 is er voor Eddy Merckx een met twee gezichten. Na zijn Giro-zege in ’68 wordt hij het jaar erop door de organisatoren van dopinggebruik beticht en uit de Ronde van Italië gezet. Hij zou een maand schorsing krijgen, zou de Tour van ’69 missen maar dat wordt na zware druk van de toenmalige Tourbaas tegengehouden. Merckx wint de Tour met een ongeziene voorsprong, zes ritoverwinningen en alle truien, „want winnen was het doel hè.” Maar in het najaar gaan hij en zijn gangmaker op de wielerbaan van Blois in Frankrijk keihard onderuit. De derny is op slag dood, Merckx verdraait zijn bekken en heup, loopt een zware hersenschudding op en moet weken revalideren. Hij begint er in veel interviews zelf over.

Denkt u daar nog vaak aan terug?

„Joah, ik denk ook dat ik nadien nooit meer zo heb geklommen als in 1969. Ik dacht dat mijn been gebroken was. Dat heeft mijn lichaam geen goed gedaan.”

Maar u hebt na de val meer gewonnen dan ervoor.

„Maar als ge ziet: in ’69 ben ik 24 jaar, en in ’74 win ik de Tour nog maar met tien minuten voorsprong. Elk jaar werd het een stukje minder. En ik moest er ook steeds meer voor doen.”

Denkt u dat u meer had kunnen winnen?

„Niet meer, maar ehh…”

Met grotere voorsprong?

„Joah, grotere voorsprong, met meer gemak, misschien met minder afzien.”

U wordt deze dagen veel herinnerd aan dat jaar van uw doorbraak, maar ook het jaar dat het noodlot toesloeg.

„Ik ben niet iemand die veel van het verleden spreekt. Maar ja, nu kunt ge niet anders. Omdat het vijftig jaar geleden is vragen ze je van alles. Soms is dat ongemakkelijk. Maar wat doe je eraan?”

U wordt liever met rust gelaten?

„Op deze momenten toch niet. Dat zou niet fair zijn tegenover de mensen die de Tour naar Brussel hebben gebracht en zo. Dat moet ge d’r maar bij nemen hè.”

Bent u nog baas van uw eigen leven?

„Ge kunt altijd nee zeggen, maar er zijn ook dingen waar ge geen nee tegen kunt zeggen.”

U vindt nee zeggen moeilijk?

„Ja, en toch gaat het beter dan vroeger. Mensen overdrijven soms. Ze denken dat ze alles mogen vragen, alles mogen doen, en dat ge altijd ter beschikking moet zijn. Maar ge moet ook een beetje een privaatleven hebben.”

En hoe bewaakt u dat?

„Door te zeggen dat ik geen tijd heb.”

Lees ook: Zo begrijp je alles wat er gebeurt in een wielerwedstrijd

U hebt meer dan wie dan ook gewonnen. Waarom won u zo graag en zo veel?

„De grote wedstrijden wilde ik winnen om meer geld te verdienen, maar de criteriums voor de mensen. Die sparen een jaar, betalen een kaartje, en u wilt hen niet ontgoochelen.”

U deed het voor uw fans?

„Ja, en voor de organisatoren. Mezelf vond ik van minder belang. Maar die stress, druk om altijd maar te moeten winnen, dat werd te veel. Daarom ben ik gestopt toen ik 32 was.”

Hoe kijkt u terug op de Tour van 1969?

„Als de mooiste overwinning van mijn loopbaan. De manier waarop was uitzonderlijk. Het zijn mooie herinneringen, maar daar blijft het bij. Ik pronk daar niet mee, ga niet in een T-shirt lopen met ‘5 times Tour winner’ erop. Ik denk dat ik gebleven ben zoals ik was. Normaal doen duurt het langst hè.”

In zijn woning staan twee beelden en er hangt een schilderij die doen denken aan de ongelooflijke prestaties die hij heeft geleverd. Verder is het huis tamelijk leeg. In het naastgelegen gedeelte van de woonboerderij, waar hij zijn kameraden in het weekend ontvangt „voor een pintje ná het fietsen”, staan wel wat bekers, truien, fietsen, hoog op planken weggezet. „Het leven is nu mooier dan toen”, zegt Merckx. „Met mijn kinderen, kleinkinderen.”

Mist u de tijd waarin u won nooit?

„Nee, het koersen zeker niet, ik heb genoeg afgezien en genoeg gewonnen. Ik heb zelfs te veel gekoerst, ben uitgebuit. Dan zeiden ze tegen me: als u niet koerst, dan organiseren ze geen wedstrijden, krijgen andere renners geen contract.”

Dat is een zware druk.

„Als ik dat nu zie, vraag ik me ook af: hoe heb ik dat allemaal kunnen doen? Omdat ik uitzonderlijk begaafd was. Anders was het niet mogelijk geweest.”

Gaat u nog wel eens naar wedstrijden kijken?

„Liever niet. Ik word dan niet met rust gelaten, kan niet genieten. Ik kijk koers op tv. Dan kan ik het volgen.”

Wat gebeurt er als u wel zou gaan?

Hij zet een hoog stemmetje op. „Selfie, selfie, selfie. Het is ongelooflijk. Wie de selfie uitgevonden heeft…”

Wat gaat u na de Tourstart doen?

„Uitrusten, uitbollen. De Tour is voor mij nu een mentale inspanning. Dat is anders dan een col omhoog rijden.”

Correctie (6 juli 2019): Merckx won de Tour niet in 1975, bedoeld werd ’74. Dit is aangepast.

Navigeer naar rechts om de eerste drie etappes te bekijken