De bloemenveiling in Aalsmeer. Deze foto is onderdeel van de serie 'markten' van Merlin Daleman

Foto Merlin Daleman

Het kapitalisme is kapot. Leve het kapitalisme

De macht van de markt Nu de lonen achterblijven en het geld blijft plakken in de wereld van het geld, lijken zelfs liberalen hun geduld met het kapitalisme van de grote bedrijven te zijn verloren. Marike Stellinga ziet een keerpunt.

Is iedereen plotseling links geworden? Het kapitalisme had altijd al een schare critici maar de bijtende commentaren komen tegenwoordig steeds vaker uit onverwachte hoek. Zo zijn er puissant rijke Amerikanen die vragen om een belastingverhoging op vermogen omdat de ongelijkheid te veel toeneemt. Machtige investeerders in de financiële sector die zeggen dat het kapitalisme kapot is. En rechtse politici die niet uitgepraat raken over de lonen van arbeiders. Neem de recente aanval van VVD-premier Mark Rutte op grote bedrijven („Het enige dat daar stijgt zijn de salarissen van de ceo’s.”). Rutte dreigde half juni op het VVD-festival met het intrekken van de voorgenomen verlaging van de vennootschapsbelasting als de lonen niet stijgen. Overal vielen monden open: dat is taal die de SP normaal uitslaat.

Ruttes SP-taal past bij een groeiende ergernis onder meer politici in het Westen: die aan de achterblijvende lonen van gewone burgers. De Britse conservatieve premier David Cameron riep bedrijven al in 2015 op de lonen te verhogen. Nee, hij zag het bedrijfsleven niet als „een samenzwering van exploderende winsten, achterblijvende lonen, ongelijkheid en onrechtvaardigheid”. Het bedrijfsleven was volgens Cameron „de beste generator van groei, welvaart, werk en kansen”. Maar dan moet het kapitalisme wel leveren, door de lonen en de levensstandaard te laten stijgen. Camerons opvolger en partijgenoot Theresa May nam de kritiek over: ze ergerde zich aan het groeiende loonverschil tussen de bazen en hun werknemers.

Ruttes dreigement laat zien dat rechtse politici het vertrouwen kwijtraken dat het vanzelf goed komt. Jarenlang was het adagium op rechts: op de golven van het kapitalisme stijgen alle bootjes mee. De ongelijkheid mag toenemen, maar hoe erg is dat als uiteindelijk iedereen, ook de mensen met de laagste lonen, erop vooruitgaat? Geef bedrijven de ruimte en iedereen profiteert.

Die belofte wordt sinds de financiële crisis van 2008 niet meer waargemaakt. De loongroei valt tegen, de koopkracht en het besteedbaar inkomen ook. Het doorsnee inkomen van mensen die werken, als zelfstandige of in loondienst, is in de tien jaar na 2007 vrijwel constant gebleven, berekende het Centraal Bureau voor de Statistiek dit voorjaar. Het is maar één van statistieken die laten zien dat de groei van de economie niet meer vanzelfsprekend in de portemonnee van burgers landt.

Ook al stijgen lonen de laatste jaren wel weer, overal in het Westen heerst het bange besef dat de positie van werknemers fundamenteel verzwakt is, en die van grote bedrijven versterkt. De westerse markteconomieën lijken scheef te trekken in het voordeel van het grootbedrijf, de multinational die zich nergens gebonden voelt en vaak bulkt van het geld.

De westerse markteconomieën lijken scheef te trekken in het voordeel van het grootbedrijf, de multinational die zich nergens gebonden voelt en vaak bulkt van het geld

Met dat geld weten bedrijven tegenwoordig vaak niks beters te doen dan eigen aandelen in te kopen. Investeren in de echte economie levert kennelijk minder op. Vorig jaar kochten bedrijven in de Verenigde Staten voor 800 miljard dollar aan eigen aandelen op, 55 procent meer dan een jaar eerder, en een record. Alleen al Apple kocht voor 73 miljard dollar eigen aandelen, een jaar eerder was dat 33 miljard. Ook Nederlandse bedrijven als Shell, Unilever, Ahold en ASML leggen miljarden euro’s neer.

Het fenomeen kreeg in de Verenigde Staten de bijnaam corporate cocaine: je wordt er tijdelijk high van maar niet permanent beter. Al dat geld gaat niet naar hogere lonen, investeringen in nieuwe vindingen of lagere prijzen. Het blijft hangen op de beurzen, in de wereld van het geld. De financiële sector domineert de economie nog steeds, en sinds de crisis misschien zelfs méér.

De inkoopzucht zorgt zelfs voor ongemak bij de mannen in het hart van het kapitalisme. Investeerders en hedgefondsmanagers als Larry Fink van het Amerikaanse Blackrock, een machtig investeringsfonds met bijna 6.000 miljard dollar aan bezittingen, roepen bedrijven op creatiever te zijn met hun geld, om te investeren in de lange termijn. Doe wat met die miljarden, geef ze niet terug aan ons. Een levensvatbare economie investeert in de toekomst.

Dat nu ook rechtse politici in liberale economieën als de Nederlandse en de Britse het bedrijfsleven bekritiseren, laat zien dat nog maar weinig politici het kapitalisme van grote bedrijven willen verdedigen. De leiders van grote bedrijven doen dat zelf ook zelden. Achter de schermen kreeg je de afgelopen jaren de indruk dat bedrijfsleiders dachten dat de kritiek wel weer zou overwaaien, wellicht omdat het kapitalisme uiteindelijk wel weer zou leveren. Geen gezeik iedereen rijk.

Nederland, Aalsmeer, 02-07-19
Serie Fixing Capitalism.
Royal Flora Holland.
? Photo Merlin Daleman
Foto’s Merlin Daleman
Nederland, Aalsmeer, 02-07-19
Serie Fixing Capitalism.
Royal Flora Holland.
? Photo Merlin Daleman?

Maar de bui blijft hangen. Het idee dat grote bedrijven goed doen voor iedereen overtuigt steeds moeilijker. Er is iets stuk. Dat bleek een paar weken geleden nog in de Tweede Kamer tijdens een hoorzitting met multinationals. Kamerleden van links tot rechts waren verontwaardigd dat Shell en Philips in Nederland geen winstbelasting betalen vanwege allerhande aftrekposten.

Wat bijdraagt aan het ongemak, is dat in diverse bedrijfstakken ‘groot’ steeds groter wordt. In westerse landen heeft vaker een handvol bedrijven een groot deel van de markt in handen, concludeerden de economen van het IMF in april. Zo weten ze zich steeds meer winst toe te eigenen. De grote Amerikaanse techbedrijven Apple, Amazon, Google en Facebook zijn het meest zichtbare voorbeeld van deze trend.

De grote kracht van het kapitalisme was nou juist dat elke nerd die vandaag in een garage een apparaat in elkaar knutselt over een decennium het nieuwe Microsoft kan zijn. Als grote bedrijven die nerds opkopen of de toegang blokkeren, blijven winnaars winnen en is ook dat wenkende perspectief van het kapitalisme verdwenen. Wat, vragen economen zich af, als die groeiende marktmacht van grote bedrijven niet alleen betekent dat consumenten hogere prijzen betalen en concurrenten er niet tussen komen, maar ook dat werknemers lagere lonen krijgen? Dan werkt de economie vooral nog voor de eigenaren van die grote bedrijven. Dan is het kapitalisme echt stuk.

De nieuwe blik van rechtse politici is niet ideologisch maar praktisch ingegeven. Fractievoorzitter Klaas Dijkhoff van de VVD pleit sinds dit voorjaar voor een herwaardering van de overheid. Twee ervaringen veranderden zijn kijk op die rol. Eén: hij merkte dat grote bedrijven een minder sterke band hebben met landen dan voorheen: „Vroeger kon je met grote bedrijven morele afspraken maken. Nu zegt een ceo aan het eind van zo’n gesprek dat Nederland maar 10 procent van zijn afzetmarkt is – of we dat wel weten. Als een land door een crisis gaat, verdienen ze elders hun geld. Ze komen wel terug als het beter gaat, heel cynisch.” Twee: hij ondervond de macht van de grote Amerikaanse techbedrijven. „Vroeger had je als liberaal vooral de overheid koest te houden als het ging om de vrijheid van het individu, om de privacy. Nu moet je de techbedrijven bij de les houden.” En de vraag is volgens Dijkhoff of de overheid hen aankan. „In mijn tijd als staatssecretaris van Justitie wilde mijn Belgische collega Facebook aanspreken op het schenden van regels. Facebook negeerde hem gewoon. We hadden de Duitsers nodig om een vuist te maken. Geen prettige ervaring.”

Wie al decennia tegen het marktgeloof strijdt, heeft het volste recht cynisch te reageren op de nieuwe inzichten van rechtse politici. Critici van het kapitalisme waarschuwen al sinds de jaren tachtig voor de gevaren van het marktdenken, het vrij laten van de financiële sector, de focus op groei en negeren van de gevolgen voor het klimaat, de voorliefde voor meer vrijhandel. Maar juist omdat je een omslag ziet bij de mensen die zich niet zo’n zorgen maakten over het kapitalisme, is de kans groot dat dit een keerpunt is. Het is lang geleden dat een roep om een sterkere overheid zo kansrijk was als nu.

Het is lang geleden dat een roep om een sterkere overheid zo kansrijk was als nu

De grote vraag is: hoe gaat die sterkere overheid eruit zien? Dat kan alle kanten op. In de VS wordt serieus nagedacht over het inperken en zelfs opbreken van grote techbedrijven als Google, Apple, Amazon en Facebook. Daar zie je een gestage stroom ideeën van politici van de Democratische partij. Leg de inkoop van aandelen aan banden. Verplicht bedrijven personeel ook aandelen te geven. Verhoog het minimumloon. Geef mensen een baangarantie. Beschouw data als eigendom van mensen. Maak een groen investeringsplan om het klimaat te redden.

In Europa zoeken politici naar manieren om de verliezers van de globalisering te steunen, om de onzekere middenklasse beschutting te bieden, om kortom het gevoel terug te winnen dat het morgen beter wordt. Ook hier klinkt links weer echt links. Eigenlijk is het hele politieke spectrum naar links opgeschoven, als het om economie en overheid gaat.

Hoe moet het volgens economen? Je kunt inmiddels een mooie kast vullen met nieuwe boeken over het kapitalisme en hoe het gerepareerd moet worden. De ene econoom zoekt het in het opbreken van bedrijven (Geert Noels in het boek Gigantisme), de ander vooral in bestrijden van ongelijkheid (Thomas Piketty en Joseph Stiglitz), de volgende in loslaten van de focus op groei en het structureel meewegen van de schade aan milieu en klimaat (Kate Raworth in het boek Donuteconomie) of het afremmen van de globalisering (Dani Rodrik).

Uit al die boeken kan je de conclusie trekken dat economen hopeloos verdeeld zijn, ieder zijn eigen stokpaardje, – of dat er zoveel mis is dat een revolutie nodig is. Maar er valt in het mozaïek aan analyses en oplossingen een rode draad te ontwaren, die oplossingen zoekt binnen het kapitalisme. Namelijk: de overheid kan en moet bijsturen, soms zelfs radicaal. Dat is niet vreemd, dat is in het verleden vaker gebeurd.

Denk aan het opbreken van grote olie- en spoorbedrijven in de VS een eeuw geleden. Denk aan het opbouwen van de verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoorlog. Economen zijn behoorlijk eensgezind over allerlei ingrijpende maatregelen die nu nodig zijn: geef vervuiling een prijs met een CO2-belasting, leg de banken nog meer beperkingen op, reguleer het gebruik van digitale data. Laat het kapitalisme weer werken voor iedereen. Dat laatste is ook precies wat de critici in het hart van het kapitalisme willen: want als burgers niet breed meeprofiteren, groeit de onvrede én de kans op harde politieke ingrepen.

Sinds Ronald Reagan en Margaret Thatcher in de jaren tachtig de overheid belachelijk maakten (volgens Reagan waren de afschuwelijkste woorden in de Engelse taal: „Ik ben van de overheid en ik ben hier om te helpen”), is het debat vaak gegijzeld door zwart-wit ideologen. De markt is goed of slecht. De overheid is goed of slecht. Die karikatuur verdwijnt.

De overheid kan wél waarde toevoegen aan de economie

Je zou kunnen zeggen dat de overheid nu moet emanciperen. De rol die de overheid kan innemen, is veel breder dan die van markt-ordenaar, opleider en beschutter. De overheid kan wél waarde toevoegen aan de economie. De Italiaans-Amerikaanse econoom Mariana Mazzucato beargumenteert in haar boek De waarde van alles overtuigend dat veel succesvolle bedrijven, zoals de techreuzen en farmaceuten, hun vindingen danken aan door de overheid gefinancierd onderzoek.

Economen zien de overheid als noodzakelijk maar improductief, maar dat klopt niet, betoogt Mazzucato. De overheid schept meer waarde dan de financiële sector, we kijken (en meten) verkeerd. Mazzucato maakt duidelijk dat de scheve verdeling tussen private winsten en publieke kosten voor veel meer sectoren geldt dan alleen voor de banken die gered werden in 2008. Denk bijvoorbeeld aan de private winsten van de pillenfabrikanten en de publieke kosten van de gezondheidszorg. Ze pleit voor een zelfbewuste overheid die zich niet neerlegt bij de huidige verhoudingen met het grote bedrijfsleven.

De overheid is in westerse democratieën veel sterker dan we denken, betogen de Deense en Britse politieke economen Torben Iversen en David Soskice in hun boek Democracy and Prosperity. Die sterke staat is essentieel voor het succes van de westerse markteconomieën. De staat heeft altijd een activistische rol ingenomen: van oudsher bouwen en verbouwen regeringen hun economieën zodat kiezers profiteren. Het is niet de markt tegen de staat, ze werken samen. Westerse democratieën hebben bijvoorbeeld hun bevolking steeds hoger opgeleid, en daar leunt de markt weer op. Multinationals kunnen helemaal niet makkelijk zonder die hoogopgeleide burgers.

Gek genoeg zouden grote bedrijven ook sterker uit de strijd kunnen komen. Economisch nationalisme is in, nu de VS en de Europese Unie wat tegenover het Chinese staatskapitalisme willen stellen. Volgens de Franse en Duitse regering moeten we daarom Europese kampioenen kweken – bedrijven die zo groot mogen worden dat ze Europese markten domineren om zo de wereld te veroveren.

Regeringen meten nog steeds succes af aan de grote bedrijven die zich binnen hun grenzen vestigen. Ze blijven lage winstbelasting gebruiken om bedrijven te lokken. De kans is groot dat de Britse regering na een Brexit die concurrentie keihard aangaat.

Tel daarbij op dat politici liever bedrijven uit andere landen aanpakken dan die in hun eigen achtertuin (de Amerikaanse autoriteiten pakken Europese autofabrikanten aan, de Europese autoriteiten de Amerikaanse techbedrijven), en het is niet te voorspellen of de nieuwe inzichten ook leiden tot een beter kapitalisme.

Op alle rollen van de overheid wordt een nieuw appèl gedaan: die van beschutter, verzorger en opleider, investeerder, bouwer en markt-ordenaar

De komende jaren worden politiek, economisch en intellectueel waanzinnig spannend. Op zoveel terreinen wordt een nieuw antwoord van politici gevraagd: de klimaatverandering, het grootschalig commercieel gebruik van digitale data van burgers, nieuwe werkvormen op de arbeidsmarkt, verstikkende marktmacht van bedrijven. Op alle rollen van de overheid wordt een nieuw appèl gedaan: die van beschutter, verzorger en opleider, investeerder, bouwer en markt-ordenaar. Of je nou Mazzucato, Raworth of Iversen en Soskice leest, de conclusie is dezelfde. Overheid, hervind je rol en macht. Politici, staar je niet blind op economische groei, want dat zegt niet hoe het met grote groepen burgers gaat, en grijp in als het nodig is, je kiezers vragen erom.

Daar zit de crux. Durven regeringen zelfverzekerd orde te scheppen? Kunnen ze het onmachtige idee van zich af schudden dat een klein land niks meer zelf kan bepalen in een globaliserende wereldeconomie? Zijn politici bereid grote vragen te beantwoorden, te experimenteren en hun mening te herzien? De geschiedenis van de westerse markteconomieën laat zien: het kapitalisme is geen oerkracht, geen ontembaar beest, het kapitalisme is wat wij willen dat het is.

De bloemenveiling in Aalsmeer. Deze foto is onderdeel van de serie ‘markten’ van Merlin DalemanFoto Merlin Daleman

Correctie (8 juli 2019): In een eerdere versie van dit artikel stond in de foto-inzet over markten dat Flora Holland in 2018 een omzet van 12,1 miljard euro boekte. Dat is echter het aantal verhandelde bloemen en planten op jaarbasis. De jaaromzet bedraagt ruim 4,6 miljard euro.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.