Het epos van Gilgamesj: hoe een held mens wordt

Zomerserie Het Verhaal Deze zomer verkent de wetenschapsredactie de relatie tussen de mens en zijn verhalen. Deze week: het oudste verhaal, het wereldberoemde epos van Gilgamesj.

Illustratie Olivia Ettema

Het epos van Gilgamesj geldt al 150 jaar als Het Oudste Verhaal. Tweeduizend jaar lag het vergeten in ingestorte koningsbibliotheken in Mesopotamië, maar sinds de herontdekking eind negentiende eeuw, is het een bron van inspiratie voor dichters en geleerden.

Het dichtwerk van zo’n 3.000 regels over Gilgamesj die met zijn vriend Enkidu op avontuur gaat, is ouder dan de Griekse Ilias en de Indiase Bhagavad Gita. De oudste versies zijn 4.100 jaar oud, maar ook zonder veel kennis van de oude beschavingen langs Eufraat en Tigris is het epos voor moderne lezers prima te begrijpen en te genieten.

Maar hoe oud is het Gilgamesj-epos precies, en is het wel echt het oudste verhaal? „Welke versie neem je dan?” is de laconieke tegenvraag van Niek Veldhuis, door de telefoon uit Amerika. Hij is hoogleraar assyriologie in Berkeley, Californië. „De oudste bron stamt uit 2050 v.Chr. en de laatste kleitabletten over Gilgamesj zijn 1.700 jaar jonger. Je spreekt hier niet over een roman als De Avonden, die altijd hetzelfde is. Er was niet één vaste tekst, je kan hoogstens zeggen dat we hier het oudste verhaal hebben dat nog altijd voor ons interessant is en waarvan we ook een hele ontwikkeling kunnen volgen.”

Legendarische koningslijst

Het verhaal van dat ‘oudste nog steeds interessante’ verhaal heeft een lange geschiedenis. Van orale versies is niets bekend, het begint met in spijkerschrift bewaard gebleven Soemerische gedichten uit 2100 v.Chr. De klassiek geworden versie, waarin Enkidu sterft en Gilgamesj wanhopig op zoek gaat naar onsterfelijkheid, wordt op basis van die gedichten iets later in het Akkadisch geschreven: rond 1800 v.Chr. Definitieve vorm krijgt dat epische gedicht rond 1200 v.Chr.

Er zijn nauwelijks aanwijzingen voor het bestaan van een historische Gilgamesj (die in het Soemerisch Bilgamesj heet, dat zo veel betekent als ‘de voorouder is een jonge held’). Buiten het verhaal om is Gilgamesj alleen bekend uit een legendarische koningslijst van Uruk (ca. 2600 v.Chr.) en als een onderwereldgod die rond Uruk vereerd werd.

Het klassieke Gilgamesj-verhaal vertelt het heldenverhaal van de koning van Uruk, ‘tweederde god, eenderde mens’, die wegens wangedrag een wildeman op zich afgestuurd krijgt door de goden. Na een onbeslist gevecht wordt die man, Enkidu, zijn boezemvriend. Samen met Enkidu beleeft Gilgamesj vervolgens een paar grote avonturen, als zij samen het bosmonster Humbaba en de hemelstier doden. Na Enkidu’s onverwachte dood wordt de toon grimmiger en gaat Gilgamesj wanhopig op zoek naar onsterfelijkheid: „Mijn vriend die ik zo beminde is weer tot klei geworden! [...] Zes dagen en zeven nachten weende ik over hem. Ik gaf zijn lichaam niet vrij voor graflegging tot een worm uit zijn neus viel.

Die barre reis

Op die barre reis wordt Gilgamesj zelf ook een soort wildeman, „slechts gekleed in een leeuwenvel, met holle wangen en in zijn hart was droefenis”. Na veel avonturen spreekt hij met zijn voorouder Oetnapisjtim, de onsterfelijke overlevende van de zondvloed. Maar er is geen oplossing voor de dood. Zelfs een door Gilgamesj uit onderaardse wateren opgedoken verjongingskruid wordt door een slang opgegeten. Gelouterd keert de koning terug naar Uruk: „Voor mijzelf vond ik geen beloning, slechts een reptiel bewees ik een dienst.” Het epos eindigt zoals het begon: met een loflied op Uruk.

Ziggurat uit het vierde milennium voor Christus bij de stad Uruk. De naam Gilgamesj komt voor op een legendarische koningslijst van Uruk.

Wikimedia Commons

Niet alleen is het verhaal spannend, de oude tekst in Akkadisch spijkerschrift bevat vele schitterende passages.

Bijvoorbeeld Oetnapisjtim over de dood: „Duren rechtzaken eeuwig? Wassen rivieren eeuwig? Een libelle vliegt over het water; haar aanschijn weerspiegelt even de zon – en dan is er plotseling niets meer…

Of Gilgamesj’ tirade tegen de godin Ishtar over haar valse liefdes: .’.. Dumuzi, de lieveling van jouw jeugd, verdoemde jij tot de klaagzang, jaar na jaar. Jij beminde even de schitterende allallu-vogel, maar toen ving jij hem, en brak zijn vleugel: nu verschuilt hij zich in het woud en roept: ‘Ach mijn vleugel!’… (Tablet VI r46-50)

Veel beter te begrijpen

Uit de tijd vóórdat de eerste gedichten over Gilgamesj werden opgeschreven, uit de vroegste tijd van het spijkerschrift, rond 3000 v. Chr, zijn óók wel wat literaire teksten in het Soemerisch bekend, zegt Veldhuis, „maar daarvan snappen we vrijwel niks, die zijn met heel veel afkortingen geschreven”. Het Soemerisch is een taal die geen bekende verwanten heeft, net als nu nog het Baskisch, en het kan alleen begrepen worden op basis van latere Akkadische woordenlijsten. Het Akkadisch is veel beter te begrijpen omdat het een semitische taal is, net als het Arabisch en het Hebreeuws.

Pas rond 2100 v Chr, als de Derde Dynastie van Ur de macht heeft in Mesopotamië, verschijnen er een aantal begrijpelijke Soemerische verhalen. Vooral de tweede koning van die dynastie, Shulgi (ca. 2100-2050), is befaamd om zijn liefde voor de literatuur, getuige zijn overgeleverde woorden: „Ik, de eerstgeboren zoon, ben een vormgever van woorden, een componist van liederen en een maker van teksten en de mensen zullen [zelfs in vreemde landen] mijn liederen als hemelse geschriften reciteren en ze zullen buigen voor mijn woorden.”

Van die oudst bekende verhalen die – zoals Shulgi zelf al hoopte – zijn overgebleven, gaan er vijf over Gilgamesj. Die gaan niet alleen over de in het latere epos verwerkte strijd met Humbaba en met de Hemelstier, ze vertellen ook andere: over een belegering van Uruk, over Enkidu’s afdaling in de onderwereld en over de dood van Gilgamesj.

Legendarische koningen

Maar deze Gilgamesj-gedichten zijn niet de enige oeroude Soemerische verhalen, er zijn er ook over andere legendarische koningen van Uruk zoals Enmerkar en de vader van Gilgamesj: Lugalbanda. Zo bezien is Gilgamesj slechts één van de oudste verhalen. Maar, zegt Veldhuis, „die andere oudste verhalen zijn saaier dan het latere epos van Gilgamesj. Je weet daar dat de held gaat winnen, er zit niet zo veel diepte in de personages.” Een van die gedichten gaat bijvoorbeeld over Lugalbanda die eenzaam in de bergen is, „zonder moeder om hem advies te geven, zonder vader die met hem praat”. Hij sluit er vriendschap met een gigantische ‘leeuwenadelaar’ die hem het vermogen van supersnelheid schenkt. Daarmee rent Lugalbanda razendsnel naar de stad Aratta die eindeloos wordt belegerd door Lugalbanda’s koning Enmerkar. Lugalbanda gaat (razendsnel) advies halen bij de godin Inanna welk offer de overwinning zal brengen en daarmee valt dan ook de stad.

Die Soemerische oerverhalen zijn vooral bewaard gebleven omdat ze een paar honderd jaar later, vanaf 1800 v.Chr., in het Babylonische rijk basisonderdeel werden van de schrijversopleiding. Eindeloos zijn ze gekopieerd op kleitabletten. Maar van die helden krijgt dan alleen Gilgamesj een nieuw leven. Want in dat Babylonische rijk begint, naar het lijkt buiten de schrijverscholen om, de tweede fase van het verhaal van Gilgamesj: in het Akkadisch. Een deel van het materiaal uit de Soemerische gedichten wordt ingrijpend omgewerkt tot één lang episch gedicht. Dat eerste ‘Oud-Babylonische epos’ is maar gedeeltelijk bewaard gebleven, voor een deel ook op kleitabletten buiten Mesopotamië, in bibliotheken van de Hettitische en Hurritische koningen.

In dat eerste Oud-Babylonische epos komen de verschijning van Enkidu, de strijd met Humbaba en de zoektocht naar onsterfelijkheid al voor, maar of Gilgamesj daarin ook al Oetnapisjtim ontmoet en diens zondvloedverhaal hoort, is niet bekend. „Het zou kunnen zijn geschreven voor koningshoven, of tempels, of rijke mensen in het algemeen”, zegt assyrioloog Niek Veldhuis, „maar daar valt helaas weinig concreets over te zeggen. Pas vanaf ca. 1000 v.Chr. ontstaan de grote koningsbibliotheken. Pas dan weet je wie het publiek is: de koning en zijn hof. Het Gilgamesj-verhaal functioneert dan als een soort leerzame vorstenspiegel.”

Elf grote kleitabletten

In die nieuwe bibliotheken komt dan vooral een nieuwe bewerking van dat Oud-Babylonische epos terecht. Want rond 1200 v Chr. ontstaat de ‘standaardversie’ van het Gilgamesj-epos. Overal in Mesopotamië wordt dan vrijwel dezelfde versie van het epos gekopieerd op elf grote kleitabletten, met op ieder tablet een nieuw hoofdstuk. Zelfs is er een naam van de auteur-samensteller van die versie: de priester-schrijver Sîn-lēqi-unninni, die bekend is omdat een latere ‘schrijversfamilie’ trots is op haar afstamming van hem. De meeste van de ca. 70 overgebleven (vaak fragmentarische) kopieën van deze standaardversie komen uit de grote, goed bewaard gebleven bibliotheek in Nineve van de laatste Neo-Assyrische koning Assurbanipal (ca. 650 v.Chr.), nabij het huidige Mosul. In totaal missen er nog ongeveer 500 van de 3.000 versregels. Maar er zijn wereldwijd nog duizenden kleitabletten die wachten op nadere studie, dus wie weet. Vier jaar geleden werden nog enkele tientallen onbekende regels vol fraaie beschrijvingen van de geluiden in Hubumba’s cederwoud teruggevonden: „Een woudduif kreunde, een tortelduif riep een antwoord. En toen de ooievaar schreeuwde, juichte het hele bos.

Recent ontdekt kleitablet, met beschrijvingen van de geluiden in Hubumba’s cederwoud.

Foto F. N. H. Al-Rawi

Er volgt nog één stap in de literaire ontwikkeling van Gilgamesj. Ergens tussen 1000 en 700 v.Chr. ontstaat er een nóg uitgebreidere variant van de standaardversie, door de simpele toevoeging van een twaalfde tablet met een vrij letterlijke Akkadische vertaling van een deel van een van de oude Soemerische gedichten, waarin Enkidu voor Gilgamesj naar de onderwereld gaat omdat Gilgamesj met een stok zijn bal in een gat in grond had geslagen. Dat verhaal begint dan ook met de zin: „Had ik vandaag maar mijn bal in de werkplaats van de houtsnijder achtergelaten!” Een vreemde toevoeging, zo vinden de meeste moderne geleerden, omdat het ‘eigenlijke’ epos al zo mooi afgerond is met de terugkeer van Gilgamesj naar Uruk en de fraaie herhaling van het loflied op de stadsmuren waarmee het epos ook begon. En nog gekker: ineens leeft in die toevoeging Enkidu weer, die toch al in tablet VII was gestorven, het kernmoment en draaipunt van het hele Epos .

Diep pessimistische levensvisie

Maar wat betekent het Gilgamesj-verhaal? Aanvankelijk werd na de herontdekking in de negentiende eeuw het gedicht (in de standaardversie) gezien als een uiting van een diep pessimistische levensvisie, zo schrijft de assyrioloog Herman Vanstiphout in zijn schitterende en uitvoerige Nederlandse uitgave (2001). Omdat het eeuwige leven niet gevonden wordt. Maar dat was een wel heel christelijke opvatting, vindt Vanstiphout. Ook de romantische interpretatie, door onder meer de dichter Rainer Maria Rilke (1875-1926), wijst Vanstiphout af: dat het gedicht een monument zou zijn van angst voor de dood. Het is meer een opstand tegen de dood, aldus de assyrioloog. Zelf meent hij net als veel andere geleerden dat het kernverhaal gaat over „het opgroeien tot volwaardig mens”. Vanstiphout omschrijft dat als „zingeving van het menselijk leven dat beperkt is door het menselijke tekort”, want onsterfelijkheid blijkt onbereikbaar en heldendaden betekenen niets tegenover de dood van Enkidu. Alleen als rechtvaardig koning kan Gilgamesj een zinvol leven leiden, is de boodschap, niet als held.

Daarom begint én eindigt het verhaal met de machtige muren van die stad. (Ironisch is daarbij dat toen de eerste Gilgamesj-gedichten werden geschreven, die muren al een keer verwoest waren door koning Sargon van Akkad, die Uruk ca. 2300 v.Chr. veroverde.)

Om de verschillende boodschappen in al die andere fases van het Gilgamesj-verhaal te onderscheiden schreef de Amerikaanse assyrioloog en oud-testamenticus Tsvi Abusch in 2001 een vaak geciteerd artikel in het Journal of the American Oriental Society. Abusch gaat ook uit van het kernverhaal van menselijke groei. De Soemerische gedichten (ca. 2100 v.Chr.) zijn nog onbekommerde heldenverhalen, zonder groei, maar in het eerste Oud-Babylonische epos (ca. 1700 v.Chr.) moet Gilgamesj door wijsheid tot een „gewoon maar volledig mens” uitgroeien. In de standaardversie van 11 kleitabletten (ca. 1200 v.Chr.) gaat het volgens Abusch vooral om de vraag hoe die held een succesvol en wijs koning kan worden. Dát leert Gilgamesj van de onsterfelijke Oetnapisjtim, omdat die uiteindelijk ook maar een normaal mens is die toevallig onsterfelijk werd. Altijd vechten is niet de oplossing: „Zoals ik jou bekijk, Oetnapisjtim, zijn jouw trekken helemaal niet vreemd, jij bent als ik. Jij bent helemaal niet anders, jij bent net als ik. Toch is jouw hart bedaard, en zonder strijdlust. Je hebt je neergelegd, jouw vechtarm rust nu”.

God van de onderwereld

En bij Abusch is de latere toevoeging van de twaalfde kleitablet met het verhaal van Enkidu’s verslag van de onderwereld wél een logische toevoeging: want uiteindelijk verliest Gilgamesj tóch zijn menselijkheid door god van de onderwereld te worden. De essentie van Enkidu’s verslag in het toegevoegde tablet zijn de regels van de onderwereld die Gilgamesj als rechter van de onderwereld zal moeten gehoorzamen.

Abusch legt in zijn totaalinterpretatie sterk de nadruk op een van de mooiste passages uit de Oud-Babylonische versie, die opmerkelijk genoeg in de standaardversie ontbreekt (maar in veel vertalingen wel wordt tussengevoegd). Het gaat om de wijze raad van de schenkster Siduri die Gilgamesj ontmoet aan de rand van de Zee des Doods. In de Standaardversie zal hij die zee op aanwijzingen van Siduri oversteken om Oetnapisjtim te ontmoeten, maar volgens Abusch komt hij in de oudere versie niet verder dan Siduri. Want daarin krijgt Gilgamesj de centrale wijsheid al van deze nuchtere schenkster: „O Gilgamesj, waartoe dit dwalen? Het leven dat jij zoekt zul je nooit vinden. Toen de Goden de mensheid schiepen, beschikten zij de dood voor de mensheid en hielden het Leven voor zichzelf. Welnu dan, Gilgamesj, laat jouw maag gevuld zijn; geniet steeds, dag en nacht! Maak plezier, elke dag; dans en vermaak je, dag en nacht! Laat je kleren steeds verzorgd zijn, je hoofd fris gewassen, je lichaam in water gebaad; bewonder het kind dat je bij de hand houdt; Laat je vrouw genieten van je voortdurende omhelzingen! Want dat is het lot [van de stervelingen].”

Gilgamesj-vertalingen zijn uit: Herman Vanstiphout, Het Epos van Gilgameš (SUN, 2011, derde druk).