Opinie

Den Haag heeft mij niet cynisch gemaakt

Parlement Na twee jaar in de Tweede Kamer voor GroenLinks kijkt terug en voelt geen rancune, eerder bewondering voor de loyale werkpaarden van de democratie die de meeste Kamerleden zijn.

Voor alle helderheid: dit artikel is dus geen kritiek op mijn oud-collega’s in de Tweede Kamer.
Voor alle helderheid: dit artikel is dus geen kritiek op mijn oud-collega’s in de Tweede Kamer. David van Dam

‘Dat de zoon van een immigrant kandidaat-Kamerlid kan zijn, illustreert de grootsheid van Nederland. Maar het illustreert bovenal waarom gelijke kansen zo belangrijk zijn en waarom we de groeiende ongelijkheid in Nederland een halt moeten toeroepen.”

Met deze woorden nam ik in november 2016 afscheid van NRC. De columnist was kandidaat-Kamerlid geworden.

De progressieve belofte – „Links is weer echt links”, schreef ik toen – daalde als een engel neer en doofde de bosbrand van het politieke cynisme die in mij woedde. Na een prachtige, optimistische campagne over ‘verandering’ werd ik in maart 2017 verkozen als Tweede Kamerlid der Staten-Generaal voor GroenLinks.

Met veel bevlogenheid begon ik aan het werk. Misschien zelfs wel met te veel bevlogenheid. Zo was een van de eerste debatten die ik deed met demissionair minister Henk Kamp, over het massa-ontslag bij Blokker. Kamp bleef alle vragen ontwijken. Dus toen interrumpeerde ik hem en wees met een groot gebaar naar de groep jonge mensen op de publieke tribune: „Daar zitten ze, meneer Kamp! Wat is nou uw antwoord aan hen? Wat gaat u voor de Blokker-medewerkers die daar op de tribune van dit huis zitten doen?” Kamp keek verbaasd om zich heen. Net als de mensen naar wie ik, mezelf in een meeslepende politieke dramaserie wanende, wees. Die vervolgens rustig wegliepen. Het bleken gewoon willekeurige bezoekers van de publieke tribune te zijn.

Na twee turbulente jaren ben ik inmiddels via een harde crash Kamerlid-af. Na een maand is het nog steeds erg bevreemdend. Zo heb ik sinds mijn officiële afscheid nog steeds bijna elke nacht dezelfde droom: als ik zit te debatteren in de plenaire zaal voel ik iemand aan mijn colbert trekken. Als ik me omdraai staat er een strenge beveiliger. „Meneer Özdil, u bent geen Kamerlid meer!”, bijt hij me toe terwijl hij me subiet de zaal uitsleurt.

Wil dat zeggen u hier de woorden leest van een rancuneuze ex-politicus die weer vanaf de zijlijn schreeuwt dat het allemaal niet deugt in Den Haag? Integendeel: ik kijk met grote trots en dankbaarheid terug op mijn Kamerlidmaatschap. Dat er heel mooie politiek bestaat, heb ik daar met eigen ogen gezien. Idealisme en bevlogenheid tieren welig in Den Haag, iets dat te vaak over het hoofd wordt gezien door buitenstaanders, ook vroeger door mijzelf. Vrijwel alle Tweede Kamerleden van links tot rechts werken elke dag keihard om – vanuit hun perspectief – Nederland nog mooier te maken.

Ik heb nog bijna elke nacht dezelfde droom: „U bent geen Kamerlid meer!”, zegt de beveiliger en hij sleurt mij de zaal uit.

Tegelijkertijd is er ook minder mooie politiek. Zoals de beknellende fractiediscipline, die meer dan ooit als een keurslijf de grondwettelijke taak van Kamerleden om ‘zonder last’ te werken dicht lijkt te knijpen. De karige ondersteuning van Nederlandse Tweede Kamerleden – in bijna geen enkel ander democratisch land is die zo karig – versterkt dat alleen maar. Want ga er maar aan staan: met, als je geluk hebt, één beleidsmedewerker opboksen tegen de honderden ambtenaren van de ministers die door jou gecontroleerd moeten worden.

Dit ongelijke speelveld opent de deur voor de macht en invloed van lobbyisten. In een tijdsgewricht waarin je je als Tweede Kamerlid ook nog eens moet zien te ‘profileren’, zoals dat heet. Een inflatie van moties – vorig jaar maar liefst 4.141 – is het gevolg. Waarvan de stemmingsuitslag via sociale media wordt gedeeld, anders is er geen profilering. Een kniesoor die wakker ligt van het feit dat aangenomen moties niet eens per se uitgevoerd hoeven te worden.

Lees ook: De afscheidsbrief van Zihni Özdil: ‘Ik baal echt dat ik moet vertrekken

Het verbaasde mij dat de enige die het hele systeem achter het Tweede Kamerbedrijf hekelde Thierry Baudet was. Aan de andere kant is dat ook weer gemakzuchtig: net als Baudet was ik een zij-instromer die helemaal van buiten de politiek kwam. Bovendien is het niet helemaal waar. Ook de ervaren rot Gert-Jan Segers van de ChristenUnie benoemt de ongelijke strijd tussen Kamerleden en bewindslieden. Dat is extra moedig, want zijn partij regeert nu mee.

Voor alle helderheid: dit artikel is dus geen kritiek op mijn oud-collega’s in de Tweede Kamer. De meeste Kamerleden zijn loyale werkpaarden van onze democratie. Zij moeten het ‘politieke spel’ spelen met de spelregels die er zijn. Grote vraag is of die regels nog wel kloppen. Is behalve het gebouw, ook het systeem van de Tweede Kamer niet toe aan renovatie?

Het cynisme over de politiek waar ik in deze krant als kandidaat-Kamerlid afscheid van nam is dus niet teruggekeerd. Wel is er het besef dat hoop, optimisme en verandering niet alleen bij holle leuzen moeten blijven. In een samenleving waarin kinderen die uit een arm gezin komen, van álle etnische afkomsten, structureel een te laag schooladvies krijgen is kansengelijkheid een ideaal dat continu bevochten moet worden. Wanneer een foto met een ideologische tegenstander, nee überhaupt een podium delen met ideologische tegenstanders, tot een maatschappelijke hetze leidt, staat het open debat onder druk.

Aan die strijd voor vrijheid en vooruitgang ga ik vorm proberen te blijven geven in het publieke debat. Door als „vrijzinnig geweten van Nederland de vinger aan de pols van onze maatschappij te houden”, zoals ik onbescheiden pitchte aan mijn alma mater, deze krant.

Ik ga mijn best doen.

In september keert Zihni Özdil terug als columnist bij NRC.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.