Brieven

Brieven

Het is alweer een tijd terug dat ik het genoegen had om als zelfstandig tekstschrijver voor een ministerie te werken. Ik heb toen vaak gezien – terwijl de opdracht was voor het grote publiek toegankelijk te zijn – dat men onder elkaar wedijverde om zo ‘mooi’ mogelijk te schrijven (Hallo overheid. Mag het ’n keer in duidelijke taal?, 3/7). Met mooi bedoelde men erudiet en met blijk van grote kennis van het ambtelijk proces en vakinhoud. Een soort moeilijke woorden-bingo met als prijs een plek op de apenrots met een vulpen en het puntje van de tong tussen de tanden. Zo kon je je van collega’s onderscheiden. Heldere, eenvoudige taal vond men maar plat. Ik heb ook wel gelezen dat het juist van een grote taalvaardigheid getuigt als je iedereen die belang heeft bij een tekst — en dat zijn er in de ambtenarij/politiek bijna altijd veel — het gevoel kan geven dat zijn/haar inbreng of belang wordt gerespecteerd. Kortom, om tussen de conflicten door te laveren. Het is denk ik teveel gevraagd om van iedere ambtenaar te vragen twee petten te dragen: een voor binnen en een voor buiten. Toch is het zo dat stukken intern niet door alle collega’s zullen worden begrepen, ook al kunnen ze dat onderling nooit toegeven. Helder schrijven begint daarom met intern helder communiceren en eerlijk durven zeggen dat je iets niet begrijpt of goed vindt.