Recensie

Recensie Boeken

Een heldere en geestige roman over racisme, kolonisatie en identiteit

Maryse Condé In haar recente roman rebelleert deze Franstalige schrijfster tegen gevestigde opvattingen over identiteit. (●●●●)

Tekening Paul van der Steen

Toen ze vorig jaar te horen kreeg dat haar de ‘alternatieve Nobelprijs’ was toegekend, vertelde Maryse Condé dat een collega van haar moeder, een onderwijzeres, haar voor haar tiende verjaardag een boek cadeau deed. Omdat Maryse Balzac, Flaubert, Maupassant, Apollinaire en veel andere Franstalige schrijvers al had gelezen, kreeg ze Wuthering Heights van Emily Brontë in een Franse vertaling. Ze begon erin, las de hele nacht door en rende de volgende ochtend naar de goede gever om haar te bedanken. Ze wilde ook een groot schrijver worden, riep ze enthousiast. ‘Waar heb je het over?’, was het antwoord van haar moeders vriendin, ‘mensen zoals wij schrijven niet’. Bij ieder boek dat Condé zou schrijven – haar enorme oeuvre omvat romans, essays, toneelstukken en kinderboeken – moest ze aan die uitspraak denken, werd ze onzeker en dacht ze dat het haar nooit zou lukken.

Mensen zoals wij – wat moest ze daaronder verstaan? Mensen geboren op Guadeloupe, een arm eiland in de Caribische Zee? Mensen met een zwarte huidskleur, vrouwen uit een bescheiden milieu, ondergeschikt aan de man? Inwoners van een Frans overzees departement, die op school les kregen in het Frans, maar thuis Creools spraken?

Nooit feestjes

De confrontatie tussen zwart en blank, de ingewikkelde relatie tussen Afrika en de Cariben, het kolonialisme en de stem van de vrouw zijn vaste thema’s in Condés werk. Ze werd in 1937 in Guadeloupe geboren, als jongste in een gezin met acht kinderen. Haar vader richtte een lokale bank op, haar moeder was een van de eerste zwarte onderwijzeressen van haar generatie, schrijft ze in haar autobiografie La vie sans fards (2012). Beiden hadden zich aan de armoede ontworsteld en waren trots op wat ze bereikt hadden. Ze gingen noch met blanken noch met Afrikanen om. Nooit feestjes, nooit muziek, nooit bezoek, schrijft Condé – dat was een veel te monotoon leven voor de jonge, rebelse Maryse, die haar toevlucht nam tot het verzinnen van verhalen.

Nooit hadden haar ouders zich verdiept in hun geschiedenis, schrijft ze, van het slavernijverleden wisten ze niets. De Tweede Wereldoorlog was een van de somberste perioden in het leven van haar ouders. Niet vanwege de gruwelijkheden, maar omdat haar ouders in die tijd niet naar Parijs konden: Frankrijk was voor hen het echte ‘adoptie-vaderland’, ‘de lichtstad die luister gaf aan hun bestaan’. Pas toen Condé zelf naar Parijs ging om te studeren, nam ze kennis van de geschiedenis van de slavernij en de (de)kolonisatie. Haar milieu had de ogen gesloten voor de waarheid. Die ‘mensonge initial’, die oorspronkelijke leugen, en haar verontwaardiging daarover, maakte van haar de ‘eeuwige rebel’ die ze haar hele leven is gebleven.

Tweeling

Die rebellie is in iedere roman van Condé terug te vinden – ook in het recent vertaalde Het onwaarschijnlijke en droevige lot van Ivan en Ivana (2017). De roman gaat over het leven van een op Guadeloupe geboren tweeling die innig – te innig – van elkaar houdt. Ivana is van nature meegaand, harmonieus ingesteld, goed op school. Ze wil verpleegster worden om ‘de zwakken en de armen te verzorgen’ of politieagente ‘om hen te beschermen’. Ivan is vanaf zijn geboorte opstandig, woest over de minachtende manier waarop zijn alleenstaande moeder wordt behandeld, vast van plan ‘niet toe te staan dat de zwakkeren alweer in plaats van de machtigen gestraft worden, en dat hun leven door hen wordt verwoest’.

Ivan maakt al jong kennis met de zwarte kant van de mens: vrienden verloochenen hem, meisjes beschuldigen hem valselijk, journalisten schrijven leugens over hem. Hij is gevoelig voor de opruiende stemmen van vrienden (‘naar Europa en daar het hart van het kapitalisme treffen’), de preken van anti-westerse imams en radicaliseert steeds meer bij ieder onrecht dat hem of een ander wordt aangedaan.

Cariben

De tweeling groeit op bij hun rooms-katholieke, hardwerkende moeder. Hun vader, een beroemd musicus, trad ooit met een traditioneel Mandinka-ensemble op in Point-à-Pitre, verwekte de tweeling en verdween naar Mali met de belofte hun moeder een vliegticket te sturen, wat hij nooit deed.

Toch komen er op een dag twee vlieg-tickets: voor Ivan en Ivana, enkele reis Kidal, Noord-Mali. Een tante vraagt hen wat ze daar in ’s hemelsnaam gaan doen, ‘de mensen daar schijnen wilden te zijn’. Daarop geeft de vertelstem een geschiedenislesje over de slavenschepen uit Afrika en legt ze uit dat ‘zwarte mensen oorspronkelijk niet uit de Cariben komen’.

Zo doceert de verteller af en toe, becommentarieert en bekritiseert. Is Ivana gelukkig, dan ‘is het bekend dat je, om gelukkig te zijn op deze aarde, een flinke dosis blindheid nodig hebt’. Vertrekt de tweeling uit Guadeloupe, dan is wel duidelijk dat ze ‘in een cocon’ hadden geleefd. Krijgt Ivana een dichtbundel die ze niet openslaat, dan is het ‘heel onterecht, want er staan ware pareltjes in’. Moet de lezer zich voorbereiden op een plotwending, dan kondigt de verteller aan dat ‘we nu komen bij een onbetrouwbaar deel van het verhaal’.

Kleurenblind

Via haar verteller laat Condé indirect, maar helder en vaak geestig, haar stem horen – over racisme, over kolonisatie, over identiteit. Al in 2005, toen ik haar voor deze krant interviewde, vertelde ze dat ze niet meer bezig was met het begrip ‘identiteit’. Ze had de ander niet meer nodig om te weten dat ze bestond. Een weldoener van Ivan roept dan ook uit: ‘Zwart, wit! Wat betekent dat? Dat zijn verdeling zaaiende woorden die mensen hebben uitgevonden om elkaar kwaad te doen. Kleur bestaat niet.’

Zo laat Condé, met haar afstandelijke ironie en met de wijsheid van iemand die in haar lange leven alles al heeft gezien, veel hete hangijzers van nu de revue passeren. Verboden liefde, dood, begeerte, de kloof tussen arm en rijk, globalisering, radicalisering en jihadisme – ze verweeft het allemaal in haar recente roman, die, het moet gezegd, inderdaad wat onwaarschijnlijk eindigt. Jammer dat de flaptekst de clou al weggeeft. Maar dat is niet de essentie van dit boek. Die bevindt zich heel ergens anders: in dat gebied tussen mensen-zoals-wij en mensen-zoals-zij.