Opinie

    • Ellen Deckwitz

Kreupel

Ellen Deckwitz

Dus mijn stupide zus was onlangs met wat vrienden gaan sporten en daagde hen na afloop uit voor een worsteltoernooitje. Omdat ze ooit een beginnerscursus judo deed en de testosteronspiegel van de Hulk heeft vindt ze zichzelf onverwoestbaar en zo’n fictie is prima in stand te houden zolang je niet gaat sparren met iemand als haar bootcamptrainer, die al twintig jaar aan mixed martial arts doet. Haar kniebanden scheurden los als verjaard klittenband en dus stond ik drie uur later met de neefjes haar huis opnieuw in te richten. Fluitend bedekte ik de gladde woonkamervloer met Perzische kleedjes zodat ze niet zou slippen met haar krukken, vulde ik voorraadkasten tot de nok en maakte ik een bezoekersschema.

Natuurlijk had ik die avond wel iets beters te doen (sterker nog: ik had het voltooien van een manuscript waar ik al vier jaar te lang aan werk uitgesteld om haar van de spoedeisende hulp te kunnen plukken) maar stiekem vond ik deze noodsituatie heerlijk. Als je uit een familie komt als de mijne heb je een talent voor crisismanagement. Mijn oudoom Karel verzucht weleens dat we zijn gemaakt om te bloeien tijdens rampen, niet tijdens vrede. Bij een noodgeval weten we tenminste wat we moeten doen. Wat ook helpt is dat zo ongeveer iedereen in de stamboom een vrij hevig messiascomplex heeft waardoor we de aanhoudende drang hebben om met pleisters en hosti’s achter de lijdenden aan te rennen.

‘JA, ZO KAN HIJ WEL WEER”, zei mijn zus toen ik met een hydraulische potkrik en bierkratten richting de slaapkamer liep om haar bed te verhogen. „Ik ben geblesseerd, niet zwanger.”

„Is toch hetzelfde”, zei mijn oudste neefje. Nadat ik de kratten onder haar bed had geplaatst, maakte ik de badkamer obstakelvrij en zette een plastic krukje onder de douche. Voldaan overzag ik mijn schepping. Haar huis was inmiddels invalidevriendelijker dan het doorsnee-Bio Vakantieoord. Toch kon ik niet vertrekken. Het was verslavend om te zorgen.

„Moet jij niet eens naar huis”, zei mijn zus nadat ik had aangeboden om nog een toiletbeugel te plaatsen. „Je had toch een grote deadline deze week? En moest je ook niet nog je kwartaalaangifte doen?”

„Ja maar je bent hulpeloos”, zei ik.

„De jongens kunnen ook voor me zorgen.”

We got it”, zeiden mijn neefjes in koor.

„Ik kan mijn vakantie volgende week cancellen”, zei ik.

„Laat het los”, zei mijn zus.

„IK HOU VAN JOU”, zei ik.

„En nu optiefen”, zei ze. „Ga nu maar even ergens anders niet voor jezelf zorgen.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.