Piloot, dat willen we allemaal wel worden

Droomberoep Kinderen weten vaak al wat ze willen worden. Bij een vijfde van de brugklassers wordt het gedroomde beroep werkelijkheid.

Studio NRC

Het loopt vrijwel altijd anders. Hoe vaak hoor je vrienden of collega’s niet zeggen, op wat melancholische toon: „ik wilde vroeger timmerman worden”? Of piloot. Kapper. Politieman. Soms astronaut, dokter of voetballer.

Het zijn de typische beroepen waar jonge kinderen over dromen. Ze blijken vaak niet haalbaar, of de voorkeuren en ambities zijn onderweg simpelweg veranderd. En daarom oefent het grootste deel van Nederland nu een minder aansprekende functie uit, zoals beleidsmedewerker, dienstregelingplanner, lasser of retaildeskundige.

Maar is dat echt zo? Een nieuw onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) komt met een verrassende conclusie: van brugklassers – vaak rond de 12 jaar oud – die in 1999 en 2000 werd gevraagd naar hun droomberoep, was bijna één op de vijf in 2017 ook echt actief in de desbetreffende sector. In een aantal sectoren, zoals de zorg, ligt dat aantal zelf hoger. Wie timmerman wilde worden, is dat tegenwoordig zelfs in bijna de helft van de gevallen.

Het CBS deed het onderzoek in samenwerking met GION, een onderwijsonderzoeksinstituut van de Rijksuniversiteit Groningen. Het maakt deel uit van een groter langlopend onderzoek naar de loopbaanontwikkeling van circa 10.000 brugklassers die sinds de eeuwwisseling gevolgd worden.

CBS-socioloog Tanja Traag: „We willen graag zien waarom de ene persoon zich anders ontwikkelt dan de ander. Wat is bijvoorbeeld de rol van de ouders en van het schooladvies?”

De vragen die in 1999 en 2000 gesteld waren, bleken ook goed inzicht te kunnen geven in wat er is geworden van de dromen van de deelnemers. Zij zijn inmiddels vaak tegen de 30 en hebben een baan – die dus vrij vaak overeen bleek te komen met wat ze twintig jaar geleden invulden. Bij meisjes is dat iets meer dan bij jongens: 19,9 procent, tegenover 16,2 procent.

Het meest genoemde droomberoep was kapper, vooral van meisjes in de vmbo-brugklas. 16 procent van de kinderen die dit noemde, is inmiddels ook actief in de sector ‘haarverzorging’ of ‘schoonheidszorg’. Bij de jongens was piloot het populairst: 7 procent van de jongens noemde het als droomberoep noemden in 1999/2000. Van hen is weer 7 procent uiteindelijk in de luchtvaartsector terechtgekomen. En van de jongens en meisjes die basisschoolleraar wilden worden, werkt liefst een derde daadwerkelijk in het onderwijs.

Huurmoordenaar

De overeenkomsten lijken deels te verklaren door het feit dat brugklassers vrij serieus naar beroepen kijken – op de enkeling na die huurmoordenaar en maffiakartelbaas antwoordden. Rond de leeftijd van 12 is van wilde astronaut- en profvoetballerambities maar weinig te merken. Kinderen lijken op dat moment te begrijpen dat dit nauwelijk reële opties zijn.

„De topvijf bij de jongens en meisjes, toch een flink percentage van het totaal, bestaat eigenlijk uit heel normale beroepen”, vertelt socioloog Traag. Zo komen onder andere architect, politieagent en automonteur voorbij. Als dat serieuze ambities betreft, is het helemaal niet ondenkbaar dat ze vervuld worden.

Veel kinderen geven bovendien antwoord in lijn met hun opleidingsniveau. Traag: „Vmbo’ers noemen praktische beroepen. Kinderen op het vwo hebben het eerder over advocaat.” In het onderzoek zaten 7.857 vmbo-brugklassers, 539 havo-leerlingen en 1.532 van het vwo.

Één van de typische kinderdromen blijft inderdaad overigens wél vaak precies dat: een droom. Dat is die van een leven tussen de dieren, dan wel als dierenarts, dan wel als dierenverzorger. Veel brugklassers zijn nog bloedserieus over deze ambitie. Zo geeft ongeveer een op de tien meisjes aan die kant op te willen. Toch lukt het van hen uiteindelijk maar 3 procent, slechts een tiental deelnemers aan het onderzoek.

Wilde Traag eigenlijk zelf in de brugklas socioloog bij het CBS worden? Dat niet. „Ik wilde naar Oxford en leraar Engels worden. Maar dit onderzoek was eind jaren 90 wel een van de redenen om bij het CBS te komen werken.”