Dylan Groenewegen: „Ik wil álles winnen, en daar moet álles voor wijken.”

Foto Wouter Van Vooren

Dylan Groenewegen: ‘Soms moet je een rotzakje zijn’

Interview | Dylan Groenewegen, sprinter Hij is favoriet voor de eerste etappezege in de Tour, zaterdag in Brussel. En daarmee ook voor de eerste Nederlandse gele trui sinds 1989. „Ik ga mijn best doen.”

De stem van Mart Smeets klinkt als door een rietje, op krakerige beelden van videobandkwaliteit, met kleuren flets als verwassen kleding – niet dat het geel er minder waard om is, verre van dat. Maar lang geleden is het wel.

Op zaterdag 1 juli 1989 staat een Nederlander met het meest prestigieuze wielertricot ter wereld lubberend om zijn smalle bovenlijf, van een kleur die elke renner staat, en waarmee hij een plek in de geschiedenisboeken claimt – aanvankelijk een alineaatje, maar met het verstrijken der jaren zijn aan ‘het laatste Nederlandse geel’ obsessieve pagina’s gewijd. Erik Breukink bijt op zijn bovenlip, en steekt dan toch maar voorzichtig zijn armen in de lucht, een kolossaal bloemstuk in de ene hand, een knuffelleeuwtje in de andere. Hij is de leider in Tour.

In de proloog van amper acht kilometer heeft hij publiekslieveling Laurent Fignon verslagen en mag hij het podium op in Luxemburg, waar de 76ste Tour de France van start gaat. Maar de vreugde is van korte duur. De volgende dag is Breukink het geel alweer kwijt. Het gaat om Portugese schouders en het raakt hopeloos ver uit beeld.

Blingbling

Dertig jaar later komt een geblokte Amsterdammer een achterafzaaltje van Grenshotel de Jonckheer in Ossendrecht binnengelopen, in aerodynamisch wielertenue, de kaaklijn strak, de blik scannend naar waar hij neer zal strijken, de zwarte lok achterover gekamd, een zilveren Rolex glimmend om de linkerpols – cadeautje voor zichzelf na het zoveelste dagsucces dit jaar. Dat hoort bij het sprintersgilde, de blingbling, het pochen. Je zal het een klimmer niet snel zien doen.

Zijn ploegmakkers volgen gedwee achter zijn brede schouders en waaieren dan uit over verschillende tafels voor een moment van koffiedikkijken. Als hij gaat zitten, doet een tiental journalisten dat synchroon met hem, in een halve cirkel om hem heen. Hij is dé man voor rit één van de Tour de France, als ’s werelds snelste sprinter van dit moment, bij tijd en wijle ongenaakbaar de afgelopen tijd. Maakt hij een einde aan de droogte?

Zou leuk zijn hè, zegt Dylan Groenewegen, 26 jaar en afkomstig uit de Amsterdamse Rivierenbuurt. En dan, ingestudeerd: „Maar het gaat me om de rit. Het geel is een bonus.”

De grootste prijs in de wielrennerij een bonus noemen is natuurlijk een manier om de druk te verlagen, zeker met een schuimbekkend journaille voor je neus. Als kleinzoon van de vermaarde framebouwer Ko Zieleman en met pa Gerrit de wegwielrenner, is Groenewegen er tot in de vezels van zijn dijbenen van doordrongen dat hij voor een grootse dag in zijn carrière staat. Meer nog dan andere jaren is hij dé grote favoriet voor de rit, en dus voor het geel. Maar hij zegt van druk geen last te hebben: „Ik voel niet dat ik móet winnen. Ik ga mijn best doen, geef het maximale van mezelf. Als dat niet genoeg is, stel ik weer nieuwe doelen. Ik weet toch wel dat mijn familie trots op me is. Als ik vandaag zou stoppen, vinden ze me nog een geweldige zoon.”

Foto Wouter Van Vooren

Met speels gemak

Maar wat een knoeperd van een kans heeft hij dit jaar. Grote concurrenten vielen in de aanloop naar de Tour uit (Fernando Gaviria) of kwalificeerden zich niet (Mark Cavendish), namen een adempauze (Marcel Kittel) of zijn simpelweg niet explosief meer (André Greipel). Er blijven heus nog rappe mannen over: Peter Sagan, Elia Viviani, Caleb Ewan. Maar Dylan Groenewegen versloeg ze allemaal al eens, soms op het oog met speels gemak.

Twee weken eerder, vlak voor de ZLM Tour, de rittenkoers waarin hij twee keer won: „Als ik in topvorm ben, hoef ik niemand te vrezen. Dan kunnen we mooie dingen doen.” Maar de eerste Touretappe is een nerveus gebeuren, waarschuwt coach Merijn Zeeman. „Zaterdag wordt een spannende dag.”

Het is snel gegaan met Groenewegen. Drie jaar geleden kwam hij als rookie naar de Tour en werd hij een keer vierde en een keer zevende in een sprint. Het jaar erop pakte hij de laatste rit, op de Champs Elysées. Hij zegt dat dat „misschien” wel een keerpunt is geweest, alsof hij lijflijk moest ervaren dat winnen op het allerhoogste podium ook tot de mogelijkheden behoort. Want weer een jaar later won hij twee ritten. En nu is hij favoriet voor de zeven, acht etappes die naar verwachting in een massasprint zullen eindigen. „Ik verbaas me weleens over die progressie. Maar het is een fijne progressie.”

Lees ook: Als eerste over de mooiste eindstreep ter wereld

Hij moest het ook leren, sprinten in de Tour, met in de slotkilometers over elkaar heen denderende treinen van sprinters en klassementsmannen. De nervositeit begint al op honderd kilometer van de streep. Een kleine tweehonderd man wil vooraan rijden, en dat past helemaal niet. Het gaat om timing, positie kiezen, af en toe een kwak uitdelen. „Je moet soms een rotzakje zijn. Maar ik heb geen idee hoe ik het doe, ik sprint op instinct”, zegt hij. „Het is een spelletje spelen. Je moet er lol in hebben.”

Hij verloor gewicht en won aan spier dankzij een rigoureus voedingsbeleid waarbij het hele jaar door porties worden afgemeten. Er gaat geen loze calorie meer in. Zijn trainingen zijn soms maniakaal: in de bergen van de Sierra Nevada fietste hij zeventig kilometer lang rondjes op een atletiekbaan – hij mocht er weinig klimmen, dat zou hem snelle spieren kosten, maar hij moest wel uren maken in de ijle lucht. „Muziekje in en verstand op nul.”

En dan zijn er nog de sprintsessies achter de scooter van pa, waarbij hij vaak zo diep gaat dat hij ervan moet kotsen. „Dat is niet grappig. De rest van de dag wil ik dan alleen nog maar op bed liggen met een washandje op mijn voorhoofd. Maar ik weet: van die trainingen ga ik plezier hebben.”

Finishlijn als prooi

Groenewegen wordt dit seizoen door mannen uit de wind gereden die stuk voor stuk boven zichzelf uitstijgen, allemaal in zijn dienst. Vooral met Mike Teunissen, overgekomen van Team Sunweb, klikt het goed. Hij is de lead-out, de man die Groenewegen op 250 meter van de finish afzet. „Mike behoudt het overzicht en doet precies wat ik denk, maar dan een stap eerder. Daardoor brengt hij me vaak op het juiste moment in de positie dat ik vrij kan sprinten. Dan word ik een roofdier, en is de finishlijn mijn prooi.”

Hij vóelt zich ook beter dan ooit, tussen z’n oren is alles rustig. Een paar maanden geleden kocht hij een huis aan de Vinkeveense plassen, waarmee hij een droom in vervulling zag gaan. In de sloep met vriendin Nina en de hond maakt hij „de geest weer fris”. Zij zegt hem soms dat hij niet moet vergeten te genieten van al dat succes, die weelde, al zo jong.

Maar de honger naar meer verdwijnt niet op het water. „Ik wil álles winnen, en daar moet álles voor wijken. Thuis ook. Als ik iets nodig heb, een schaaltje yoghurt na een training bijvoorbeeld, dan verwacht ik dat het er staat. Omgekeerd geef ik ook dingen terug: mijn vriendin mag kiezen waar we heengaan op vakantie.” Voor zijn vader huurde hij onlangs een camper. „Dan kan hij de Tour van dichtbij volgen. Dat avontuur vindt-ie prachtig. Daarna gaan we kijken of we er een kunnen kopen.”

’s Werelds beste sprinter van dit moment weet al hoe het voelt, het geel om zijn schouders. In maart droeg hij de leiderstrui van Parijs-Nice, ook een gele, drie dagen, en „dat was lekker. Zo van: kijk mij nou, ik ben goed bezig”. Het tricot hangt aan de Amsterdamse Reggestraat, bij fietshandel Racing Groenewegen. Mensen uit de buurt komen er graag naar kijken. „Het zou mooi zijn als daar ook een gele uit de Tour naast kan.”

Hij voelt aan alles dat het kan, na dertig jaar weer een Nederlander in het geel.