Opinie

    • Frits Abrahams

Op zoek naarverkoeling

Frits Abrahams

Wij betraden voor het eerst onze hotelkamer in een Noord-Hollandse badplaats en het was alsof we op een muur van hitte stuitten. Die muur zei: „Terug jullie, ik ben hier de baas.”

Buiten was het subtropisch, hier tropisch. We gooiden onze koffers ongeopend op bed en zegen amechtig neer in enkele geriefelijke stoelen. „Dat is sterk”, zuchtte ik. „Wat…?” wist mijn vrouw nog uit te brengen.

Ik haalde een aardig, pas verschenen boekje tevoorschijn dat ik in de trein had zitten lezen: Buitenland is geen land – Nescio in Frankrijk door Lieneke Frerichs, de Nescio-biograaf in spe. Het beschrijft twee vakantiereizen van Nescio door Frankrijk, in 1932 en 1934. Eerst een fietstocht met twee van zijn dochters in Noord-Frankrijk, twee jaar later een verblijf met zijn vrouw in de Ardèche. Nescio hield zielsveel van de Nederlandse natuur en moest over het algemeen weinig van het buitenland hebben, maar Frankrijk viel hem wel mee. „Behalve op onze fietstocht in Frankrijk twee jaar geleden is dit de eerste keer dat ik me in ’t buitenland werkelijk thuis gevoel”, schreef hij aan een dochter.

„Nescio beschrijft in dit boekje een te hete hotelkamer in Brussel-Noord, aan het begin van zijn reis in 1932 met twee dochters”, vertelde ik mijn vrouw. Ik las het voor.

„Nou mijn kamer hier was doorkookt, om te stikken, alles heet, de vloer, de lakens, en ’t raam moest dicht om ’t lawaai van auto’s en vooral van de tram. ’t Was net zoo erg als B(om)bay in Januari en ik heb maar enkele uren geslapen. Nou is gelukkig de heele lucht bewolkt en ’t regent nog al. Maar nog om acht uur was de vloer heet en mijn broek brandde me toen ik ’m aantrok. M’n nachthemd kwam gisteravond ook gekookt uit ’t koffertje.”

„Dat is mooi beschreven”, zei mijn vrouw, „maar het is bijna een eeuw geleden en volgens mij is sindsdien de airconditioning ontwikkeld.”

We gingen meteen op zoek, maar hoe we ook zochten – geen airconditioning. Vreemd. Dit was toch een viersterrenhotel? We vroegen het na bij de receptie.

„Nee”, zei de receptionist, „we hebben het wel overwogen, maar het werd te duur en te ingewikkeld met 325 kamers. En, ach, hoe vaak is het nou onverdraaglijk heet in Nederland? Een, twee keer per zomer.”

Hij bood nog een ventilator aan, maar voegde er meteen aan toe dat die „alleen maar de lucht verplaatst”. Dat was waar, we konden dat met wat gezwaai van armen net zo goed zelf doen.

Zo gingen we de nacht in. Het leek minstens net zo erg als in Nescio’s Bombay in januari te worden, en dat zou voor deze column ook veel leuker zijn geweest, maar het liep heel anders. Zoals wij die nacht geslapen hebben, daar kan geen roos tegenop. We hadden een raam half open gezet, zodat een mild zeewindje zijn verkoelende spel met het gordijn kon spelen. Bij airconditioning word je doorgaans midden in de nacht met een ijskoude rug verschrikt wakker, terwijl je je afvraagt waar dat helse lawaai vandaan komt. Drie dagen later ben je snotverkouden, midden in de zomer.

„Geen airconditioning, heerlijk”, zeiden we de volgende ochtend tegen elkaar.

„Eigenlijk net als thuis”, zei mijn vrouw.

Misschien is dat wel de beste definitie van een toerist: iemand die elders dingen eist die hij thuis niet nodig vindt.