De slaafgemaakten

Ewoud Sanders

Woordhoek

Eind 2001 eiste de Stichting Eer en Herstel Betalingen Slachtoffers van Slavernij in Suriname dat de woorden neger en creool uit de Dikke Van Dale zouden worden geschrapt. Gebeurde dat niet, dan zou de stichting op 2 februari 2002 – de trouwdag van Máxima en Willem-Alexander – in Amsterdam vijftig Van Dales verbranden op de Dam.

Inhoudelijk was deze eis een beetje dom. Je verandert het verleden niet door woorden te verbannen; in het ergste geval maak je er historische bronnen onleesbaar mee. Maar publicitair gezien was het een geslaagde actie. Hoewel de boekverbranding niet doorging, maakte het voor iedereen duidelijk dat het woord neger een andere gevoelswaarde had gekregen. Die verandering werd vastgelegd in de eerstvolgende druk van de Dikke Van Dale. In 2005 vermeldde dit woordenboek bij neger: „Door sommigen als scheldwoord ervaren.” Inmiddels is die formulering verder aangescherpt.

De maatschappelijke respons op dergelijke woordveranderingen verloopt volgens een vast patroon. Eerst is er weerstand: „Allemaal politiek correcte larie, we bedoelen er niks kwaads mee.” Geleidelijk komt er meer begrip en tenslotte volgt (meestal) acceptatie. Eerst in de media, daarna bij een groter publiek.

Voor het woord neger is dit proces goed te volgen via koppen in deze krant. Een kleine greep: „Neger, dat is geen scheldwoord. Zwarte, dat vind ik pas een belediging” (2002); „Wat is er eigenlijk mis met het woord neger?” (2011) en „Hoe vertaal je het n-woord?” (2019).

Inmiddels is de gevoelswaarde van het woord slaaf aan het kantelen. Dit zal weinigen zijn ontgaan: vorige week stond er boven een stuk van Frits Abrahams op deze pagina nog de kop „‘Slaaf’ moet ‘slaaf’ blijven”. Zijn argument: slaaf heeft al negatieve lading genoeg en heeft geen „uitbreiding” nodig.

Lees ook: ‘Slaaf’ moet ‘slaaf’ blijven

Ik voorspel: dit zullen we straks zien als uiting van een achterhoedegevecht. De verandering is al in gang gezet en wat mij betreft op goede gronden. Over de argumenten voor dergelijke veranderingen kun je debatten voeren, maar uiteindelijk zijn de emoties meestal doorslaggevend: waarom zou je een woord gebruiken dat door een groeiend aantal mensen als aanstootgevend wordt ervaren? Praktisch: hoeveel moeite kost het om tot slaaf gemaakte te zeggen of te schrijven?

Sommigen zullen nu denken: best veel moeite! Nederlanders hebben de neiging taal in te korten. Slaaf wijzigen in tot slaaf gemaakte is de omgekeerde beweging en daarom kansloos.

Zij houden echter geen rekening met de creativiteit van taalgebruikers. Inmiddels doet de verkorte vorm slaafgemaakte(n) al de ronde. Kop in Trouw, maandag: „Hoe slaafgemaakten op West-Java landheer werden dankzij een VOC-koopman.” Ook de NOS gebruikte dit woord even op de site, maar haalde het vervolgens weg – zonder opgaaf van redenen. Ik geef het niet veel kans in samenstellingen (slaafgemaaktenhandel), maar we zullen zien.

NRC gebruikt tot slaaf gemaakte(n) en tot slaaf gemaakte mensen sinds 2014. Aanvankelijk aarzelend, nu steeds pregnanter; bij dergelijke veranderingsprocessen een gangbaar stramien.

Het gekke met dit soort veranderingen is: zijn ze eenmaal ingeburgerd, dan kun je je bijna niet meer voorstellen dat je ooit klakkeloos woorden heb gebruikt die inmiddels uit de gratie zijn geraakt. Dan kijk je met verbijstering of verwondering naar bijvoorbeeld boektitels als Twee stoute nikkertjes (1951), Een neger in het dorp! (1960), Ik ben maar een neger (1961) en Meesters der negervertelkunst (1966).

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders