Opinie

    • Paul Scheffer

De dag dat de berg naar Michaël kwam

Paul Scheffer

We hadden afgesproken op het terras van een serieus hotel. Als vanouds stond hij op, spreidde zijn armen wijd uit: „Zo mijn jongen, kom eens hier, hoe gaat het met je?” En daarna sloot hij me in zijn machtige vlerken, lang en nadrukkelijk. Zo lang en zo nadrukkelijk dat sommige gasten zich hardop begonnen af te vragen van welke mannenliefde ze getuige waren.

Deze maand is het tien jaar geleden dat de literair criticus en duizendpoot Michaël Zeeman (1958) overleed. Genereus, dat is een woord dat velen met hem in verband brachten. En daarbij kan de ‘reus’ in dat genereus niemand zijn ontgaan. Zijn lichaam was inderdaad ‘ruim bemeten’ – één van zijn lievelingsuitdrukkingen. Alleen over zijn voeten hoorde ik hem wel eens klagen – die hadden zichtbaar moeite om het geheel in goede banen te leiden.

Bij sport dacht Michaël aan tweeëntwintig mannen die in een korte broek achter een bal aan rennen. Als hij me in Frankrijk op de racefiets zag ploeteren, vond hij dat belachelijk. En bovendien, zo zwaar kon dat nu toch ook weer niet zijn. Op een dag zag ik Michaël op de fiets stappen met de mededeling dat hij even door de bergen ging fietsen. Hij was gekleed in een mooi linnen pak, keurige schoenen, twee tinten leer. Vele uren later kwam een gebroken man binnen: zijn pak was van kraag tot broekspijp doorweekt. Het was duidelijk: de berg had Michaël beklommen.

Ik ben gevormd door zijn manier van leven, vooral door zijn trouw aan eigen intuïties. Ik heb hem lange weken aan het werk gezien: hij woekerde met zijn talent, sloeg veel wegen tegelijk in. In de ochtend een gedicht en het begin van een kort verhaal, dan een lunch waarin het zojuist geschrevene werd voorgelezen, daarna een recensie en ook nog wat losse ideeën, zeer uitgebreid eten en drinken, en dan een boek lezen, uitgestrekt op de bank.

We waren samen vaak onderweg, ook voor congressen. Een ontvangst in Istanbul ten paleize van de Turkse president Demirel, begin jaren negentig, staat me nog helder voor de geest. We zaten naast Dilek Türker, actrice en eigenares van een soort Theater van de Lach. Dilek zat krap in haar vel – ze woog zeker 130 kilo – en borrelde over van de liefde. Ik wilde haar wel duizend-en-een aanzoeken doen, maar iets zei me dat Michaël al eerder die avond om haar hand had gevraagd.

Hij volgde een eigen spoor. Daarom begreep ik zijn hang naar conflict niet, want op die manier raak je toch bewust of onbewust in het spoor van een ander. Hij was verstrikt in ruzies die hem ver boven het hoofd groeiden. Tegelijk vervloekte hij die obsessies, zo schreef hij me ooit: „Waar ze vandaan komen en waarom ze juist op ogenblikken van overgave en concentratie toeslaan, geen mens heeft het me uit kunnen leggen.”

Hij leed onder zijn onrust, onder de demonen die moesten worden bezworen, onder god mag weten wat. Altijd op weg voordat zijn schaduw te lang werd. Er zijn veel kwetsuren die ik – ook na 15 jaar vriendschap – niet durfde aan te raken. Om de vraag wie nu precies wie wat had aangedaan liep ik meestal met een brede boog heen. Ook bleef veel van zijn jeugd in nevelen gehuld.

Michaël realiseerde zich heel goed hoe ons land door de immigratie veranderde en was jarenlang belangrijk voor programma’s als Hollandse Nieuwe van Theater Cosmic in Amsterdam. Maar om die openheid vol te houden was volgens hem meer historisch besef nodig. Een van de laatste plannen die we samen hebben bekokstoofd was geïnspireerd door de Library of America. Het moest De Nederlandse Bibliotheek worden, een ‘ruim bemeten’ reeks van de belangrijkste non-fictieteksten die Nederland in de afgelopen vijf eeuwen hebben gevormd.

Onze vriendschap kende veel ‘ups’ en ook genoeg ‘downs’. Maar wat overblijft is grote genegenheid. Kort voor zijn dood stuurde hij nog lange mails. In twee delen want die avond was hij te uitgeput om te zeggen wat hij nog wilde zeggen: „Nu nog een argument, maar te moe, nu domweg na een regel of wat al te moe, verdomme.”

De volgende ochtend schreef hij verder. Er waren geen omwegen meer over: „Alles wat je om me op te vrolijken in het geding brengt, beschouw ik als bedrog. Ik hoop dat je op de dag van mijn dood de peilloze verbittering over deze uithaal van het willekeurige navoelt. Er is geen reden, er is geen motief, er is geen afrekening, er is niks, geen donder.”

Ik wil me Michaël Zeeman herinneren met al zijn levenslust en ongerijmdheden. Hij maakte het anderen moeilijk, maar zichzelf nog veel moeilijker. Helemaal in het reine met hem komen is te veel gevraagd. Maar ik zie hem op het terras van dat hotel in Jeruzalem staan, de armen wijd open: „Kom hier mijn jongen.” En dan weer die machtige vlerken, die nu eenmaal bij een beetje aartsengel horen.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese studies.