Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Ergernissen

Marcel van Roosmalen

Ik trof een goede vriend op het terras. Hij had al twee dagen ruzie met zijn vriendin. Dat was wel vaker het geval, maar nu was wat hem betreft de bodem wel geraakt. „Hoe dan? Wat dan?”, vroeg ik iets te gretig, want andermans ellende kan me soms net dat zetje in de goede richting geven om de dag wat comfortabeler aan te vliegen.

Hij: „Nou mag ik ook al geen fruit meer eten.”

Hij had in de huiskamer, terwijl zij „heel irritant” op haar telefoon zat te kijken, veel te nadrukkelijk een perzik gegeten. Het had zo sappig en vlezig geklonken dat ze zich niet meer kon concentreren. Ze had hem met een vies gezicht verboden om nog ooit in haar bijzijn fruit te eten.

„En toen?”, vroeg ik.

„Gewoon doorgegaan met eten, natuurlijk”, zei mijn vriend, die niet van het slag is dat wijkt, hetgeen waarschijnlijk het gevolg is van een christelijke opvoeding in Zeeland. „Vanmorgen heb ik bij het ontbijt expres een appel gegeten. Jarenlang at ik fruit, nu is het opeens irritant.”

„Waarschijnlijk vond ze het altijd al irritant”, zei ik, „maar voelt ze nu geen remmingen meer om het te zeggen.”

„Wat is de volgende stap?”, jammerde hij. „Mag ik dan ook geen koekje meer bij de koffie?”

Ik zei dat er bij mij thuis al een jaar of twee wordt gezucht als ik iets knapperigs eet. Dat ik op chips sabbel, dat het geluid dat ik daarmee produceer nog irritanter schijnt te zijn dan gekraak en dat de vriendin me laatst uitlegde hoe dat werkt in haar hoofd.

„Dan zie ik die hand in de zak gaan en dan wacht ik op het gekraak dat in eerste instantie niet komt, maar uiteindelijk natuurlijk wel. Dat komt dan dubbel zo hard aan.”

Ik zei dat we hebben afgesproken dat ik alles wat kraakt binnen een afgesproken tijd opeet, zodat zij zich daarna kan ontspannen en dat ik daardoor minder chips eet.

Het was bedoeld ter relativering, maar mijn vriend zuchtte en zei dat hij bang was dat hem hetzelfde lot wachtte als zijn vader. Die hield zoveel van vanillevla dat hij het van de lepel slurpte. Zijn vrouw klaagde daar zo over dat hij op een dag zijn toetje van zich af schoof en zei: „Ik hoef het niet meer.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.