Kabinet komt met vast bedrag voor herdenking slavernij

Minister Koolmees zei dat hij het „moeilijk” vond „woorden te vinden die recht doen aan het verleden”.

Aanwezigen bij de herdenking en viering van het afschaffen van de slavernij, maandag in het Oosterpark in Amsterdam.
Aanwezigen bij de herdenking en viering van het afschaffen van de slavernij, maandag in het Oosterpark in Amsterdam. Foto Evert Elzinga/ANP

Het kabinet gaat vanaf volgend jaar een vast bedrag beschikbaar stellen voor de jaarlijkse herdenking van het slavernijverleden, schrijft minister Kajsa Ollongren (Binnenlandse Zaken, D66) maandag in een brief aan de Tweede Kamer. Eerder werd de herdenking jaarlijks gesubsidieerd. Maandag was de herdenking van de afschaffing van de slavernij, nu 156 jaar geleden.

De hoogte van het bedrag wordt bepaald na overleg tussen het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW), het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee) en de gemeente Amsterdam.

Het kabinet wil ook „in dialoog” over het slavernijverleden. „Zo’n dialoog zou zich moeten richten op een bredere erkenning en inbedding van dit gedeelde verleden in onze samenleving”, vinden de betrokken ministers Ollongren, Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, D66) en Wouter Koolmees (Sociale Zaken en Werkgelegenheid, D66). Daarnaast zijn het ministerie van OCW en de gemeente Amsterdam in gesprek over het ontwikkelen van een „nationale museale voorziening slavernijverleden”.

Vorige week werd bekend dat in 1770 5,2 procent van het Nederlandse bruto binnenlands product op slavernij was gebaseerd. Minister Ollongren meent dat het „pijnlijke verleden” kan worden omgezet in „iets wat ons als samenleving verbindt in plaats van verdeelt”, als de bewustwording over de geschiedenis wordt gestimuleerd.

Echt begrijpen

Tijdens de jaarlijkse nationale herdenking van het slavernijverleden in het Amsterdamse Oosterpark, die maandag plaatsvond, spraken minister Koolmees en burgemeester Femke Halsema (GroenLinks). Koolmees zei dat hij het „moeilijk” vond „woorden te vinden die recht doen aan het verleden”. De verhalen uit het verleden doen pijn, maar de onverschilligheid die er vandaag de dag nog is, doen dat ook, zei hij. „Pas als we samen hetzelfde voelen en elkaar echt begrijpen, dan komen we als samenleving echt verder.”

Burgemeester Halsema sprak over de stad die nog „een lange weg omhoog te gaan” heeft. Vorige week werd bekend dat Amsterdam als eerste gemeente excuses wil maken. Er komt onderzoek naar de verantwoordelijkheid van Amsterdam in de slavernij. Volgens Halsema is de stad „incompleet” als „we onze geschiedenis niet kennen en beschamende delen ontkennen of onderbelichten”. Vanuit de regering zijn officiële excuses voor de slavernij vooralsnog uitgebleven.

Een deel van een wijk in IJburg in Amsterdam krijgt straatnamen van 27 personen die aandacht vroegen voor het slavernijverleden en hebben gestreden tegen kolonialisme. Het gaat om namen van mensen uit Suriname, de voormalige Nederlandse Antillen en Indonesië, landen waar Nederland het langst een koloniale relatie mee heeft gehad. De straten worden vernoemd naar onder andere Maria Ulfah, feministe en rechtsgeleerde uit Indonesië, de Surinaamse activisten Otto en Hermina Huiswoud, en de Curaçaose schrijver Frank Martinus Arion. In februari werd al bekend dat de straatnamen dit thema kregen.

Lees ook: Langzaamaan viert Nederland nu Keti Koti