Opinie

Hand onder mijn jasje – raar en interessant gedrag

Maxim Februari

Dit is een raar verhaal. Ik denk al maanden na over de raarheid ervan. Het heeft ermee te maken dat ik nogal eens in debat ben. Als een mislukte David, met als enige wapen een oud en teder verhaaltje over de rechtsstaat, sta ik iedere keer opnieuw tegenover een leger Goliaths die nieuwe technieken inkopen of verkopen. Ik verlies altijd. Zelfs als ik iets verstandigs opper, verlies ik. De Goliaths hebben simpelweg te veel geld, te veel macht en ze hebben de hele wereldbevolking achter zich. Nou ja, best, zo is het leven. Pas hierna wordt het raar.

Na afloop van zo’n gesprek komen de Goliaths, als ze tenminste mannen zijn, me op de schouder slaan. Dat hoort erbij. In debatkringen geldt het als volwassen en sportief om na afloop een biertje te drinken met de tegenstander. Zelfs als je extreem van gedachten verschilt, ga je met elkaar op de foto en dan stuur je die foto kinderlijk blij de wereld in. ‘We vinden elkaar aardig’, zegt de Amerikaanse president over de Noord-Koreaanse president. Vandaar. De Goliaths komen zich met me verbroederen en ze geven een klap op mijn schouder. Tot zover snap ik het nog.

Maar kennelijk beseffen de Goliaths de laatste tijd dat ze tijdens het debat wat al te triomfantelijk hun macht hebben getoond. Een klap op de schouder is niet genoeg als excuus – en hier wordt het zoals gezegd raar. Het is me nu al een paar keer gebeurd dat zo’n machtige, dure man zijn hand onder mijn jasje steekt en die kort op mijn borstkas legt. Dan klopt hij een paar keer liefdevol op mijn lichaam onder dat jasje en trekt zijn hand weer terug. Het is apengedrag dat ik niet ken. „Je bent advocaat, hè Vadim?” zeggen ze. „Heel belangrijk, hoor, het recht.” En weg zijn ze.

Het afgelopen weekend keek ik naar de filmklassieker Paris, Texas van Wim Wenders. In een grote, stille filmschuur op het Nederlandse platteland bekeek ik het jachtige Amerika uit 1984. Vliegtuigen raasden onophoudelijk over de steden, door de woestijn doolden eenzame zielen op zoek naar een bestemming. Het was universeel bedoeld en ook wel universeel herkenbaar, denk ik. Eenzaamheid en verlangen tegen het onbezielde decor van het moderne leven.

In een losse scène van de film ging een naamloze man op een verlaten brug tekeer tegen de wereld. En starend naar die tierende man op de brug zag ik opeens mezelf staan. Dat wil zeggen, ik denk niet van mezelf dat ik een geflipte onheilsprofeet ben, maar ik weet vrij zeker dat de Goliaths het wel denken. Met mijn simpele verhaaltje over staat en recht dat ze lastig vinden, krankjorum, op het paranoïde af. Daarom keek ik nu naar de onheilsprofeet op de brug vanuit het perspectief van de Goliaths.

Jullie worden straks allemaal betrapt met je luiers op je enkels, brulde de profeet tegen de wereld. „Ze zullen binnenvallen in jullie bedden. Ze zullen jullie uit je bubbelbaden sleuren. Ze zullen jullie uit je snelle auto’s rukken.” Nergens, helemaal nergens in deze godvergeten vallei zal nog een toevluchtsoord zijn, schreeuwde hij. „There will be no safety zone.” En terwijl hij daar zo stond, kwam de hoofdpersoon van de film langs en legde even bemoedigend een hand op zijn rug.

Zou dat niet de juiste aanpak zijn tijdens zo’n borrel na afloop van een debat, dacht ik. Dat ik de Goliaths bij hun oren pak, nog voordat hun hand onder mijn kleren verdwijnt. Dat ik met twee handen hun hoofd naar me toe buig en „there is no safety zone„ in hun oor fluister. Ik garandeer je, zal ik ze vriendelijk vertellen, terwijl ik hun hoofd steeds verder naar de grond buig, dat jullie allemaal worden uitgeleverd aan het land waarvan niemand terugkeert! Een navigatie naar nergens. En als je denkt dat het leuk wordt, zeg ik, vergis je je lelijk. „Zeg niet dat ik je niet heb gewaarschuwd.”

Het is een verleidelijk scenario. Het zal mijn tedere verhaaltje over mens en recht er wel bij de Goliaths inwrijven, denk ik zo. Maar ja, het mag niet. Zo gaan we niet met elkaar om. Liefdevol je hand onder iemands jasje steken is één ding, duistere toekomstvisioenen in iemands oor blazen, is een tweede.

Toch is het goed je te blijven realiseren dat een debat niet wordt gevoerd met argumenten – die schamele resultaten van geestesarbeid – maar met geesteshouding, lef, theater, de stevige belichaming van je commentaar.

Het wordt gevoerd vanuit primitieve impulsen die de uitkomst in de richting van het onvoorzichtige sturen. Je tanden laten zien, altijd blijven lachen, ‘we vinden elkaar aardig’, ‘je interesseert me niet in het minst, maar even goede vrienden’. Heel raar, denk ik, zodra er weer zo’n machtige hand van een Goliath op mijn lichaam ligt, maar in alle raarheid ook heel interessant.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.