Opinie

‘Fair practice’ niet zo fair voor theater en muziekpodium

Cultuurbeleid Kunstenaars verdienen inderdaad een fatsoenlijk salaris, maar als de minister theaters en concertzalen niet helpt met stijgende kosten, leidt het tot verschraling op de podia, menen .

Foto Lex van Lieshout/ANP

Wie wel eens in een concertzaal of theater komt, weet hoe verrassend het aanbod kan zijn en hoe groot de kwaliteit. De Nederlandse podia hebben een naam hoog te houden en doen dat met verve. Je vindt er hiphopdans, zondagmiddagjazz, kleutervoorstellingen en muziek en theater uit alle windstreken. Als aanjager van talent, kwaliteit en diversiteit vervullen de podia en festivals een belangrijke rol.

Zo hoort het ook. In een gezond, bloeiend kunstklimaat komt iedereen op gelijke wijze aan zijn trekken: makers en uitvoerders, festivals en podia, en natuurlijk in de eerste plaats het – al even diverse en veelvormige – publiek.

Minister Ingrid van Engelshoven (OCW, D66) denkt er ook zo over. Dit blijkt uit haar notitie Uitgangspunten Cultuurbeleid 2021-2024, die donderdag verder wordt besproken in de Tweede Kamer. Daarin maakt zij ruimte vrij voor meer spelers en genres (jeugdtheater, urban arts, popmuziek), zodat het culturele aanbod de veelkleurigheid van de samenleving nog beter weerspiegelt. En zij wil gesubsidieerde kunstinstellingen verplichten de kunstenaars die zij een podium geven een fatsoenlijk salaris te betalen. Die zogeheten Fair Practice Code moet dan ook een voorwaarde voor subsidie worden.

Deze uitgangspunten juichen wij vanzelfsprekend toe. Als het goed is, varen alle partijen in de kunstsector er wel bij. Toch maken we ons ernstig zorgen namens 270 podia en concertzalen. Want we denken dat de Fair Practice Code tot verdere verschraling zal leiden als er geen extra geld beschikbaar komt voor de aankoop van – gesubsidieerde – producties. Uit het onderzoek Op weg naar het nieuwe normaal, eerder dit jaar uitgevoerd in opdracht van de sector, blijkt dat de kosten voor theater, dans, muziek en muziektheater per direct met ruim 13 miljoen zullen stijgen. Dat leidt er onvermijdelijk toe dat podia meer moeten betalen, waarna bezoekers die extra kosten verdisconteerd zullen zien in een hogere toegangsprijs. Zolang de minister geen rekening houdt met deze gevolgen, schiet ze haar doel voorbij: maatregelen die tot een rijker en duurzamer kunstklimaat moeten leiden – met nieuwe spelers, nieuwe genres, nieuwe publieksgroepen – leiden straks tot verdorring.

Lees ook: De twee dilemma’s van de minister voor cultuur

In de huidige kunstpraktijk is het goed gebruik dat het Rijk – via subsidies – financieel verantwoordelijk is voor het aanbod (artiesten, gezelschappen en ensembles) en de gemeenten voor de afname (podia). De balans tussen aanbod en afname is al heikel.

Speelplekken

Krimpende budgetten hebben geleid tot minder gesubsidieerd aanbod op de podia buiten de grote steden en dus minder speelplekken in de sector. De meeste gemeenten hebben onvoldoende geld voor ondersteuning van programma’s en voor kleinere podia wordt het steeds moeilijker om ‘risicovolle’ producties in het aanbod op te nemen.

De Raad voor Cultuur adviseert om meer middelen vrij te maken voor ondersteuning van de programmering (zogeheten ‘afnamesubsidies’ voor podia en festivals). De minister zegt wel te hechten aan een goede afstemming tussen aanbod en afname maar doet niets om die te ondersteunen.

Tegelijkertijd stellen we vast dat het animo voor het theater en muziekpodia groeit. Uit de jaarlijkse cijfers van de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties (VSCD) blijkt dat het aantal bezoeken in 2018 sterk is toegenomen (met acht procent), beduidend sterker dan de stijging van het aantal voorstellingen (drie procent). Dat publiek willen de podia graag vasthouden voor de toekomst, maar ze hebben net zo goed de ambitie nieuw publiek te bereiken. Dat gaat niet vanzelf. De groepen die de weg naar theater en muziekpodium nog niet uit zichzelf weten te vinden, vragen bijvoorbeeld om een andere werkwijze in programmering en marketing. Het ontwikkelen van expertise en het aanboren van nieuwe netwerken kosten tijd en geld.

Geen luxe

Het Rijk en de gemeenten moeten de handen ineenslaan en serieus onderzoeken hoe zij meer geld beschikbaar kunnen stellen. Wij pleiten alvast voor verruiming van de programmeringssubsidies van het Fonds Podiumkunsten met minimaal vijf miljoen euro per jaar voor de komende vier jaar. Dat is geen overbodige luxe.

Alleen zo kan de dreiging van verdere verschraling in de kunstensector worden gestopt. Extra geld is broodnodig voor makers én publiek van vernieuwend repertoire. Maar ook los daarvan geldt: het kan niet de bedoeling zijn dat een betere honorering van artiesten onherroepelijk leidt tot fors duurdere entreekaartjes en minder (gesubsidieerd) aanbod voor bestaand en nieuw publiek.

Een Fair Practice Code is meer dan gewenst – voor alle mensen die werkzaam zijn in de cultuur en niet alleen de groepen waarover de minister nu spreekt. Die noodzaak is genoegzaam aangetoond. Het zou de minister sieren als ze ook de effecten van de maatregel in de breedte zou onderzoeken, dus voor makers, podia en publiek. De resultaten kan ze dan meewegen in haar beleid en vervolgens passende actie ondernemen. Bij een gezond kunstklimaat gedijen álle partijen. Kunstenaars, podia en bezoekers hebben uiteindelijk dezelfde belangen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.