Brieven

Brieven

In het artikel Conclusies slavernijonderzoek te stellig’ (Wetenschap 29/6, p. 9) reageert Piet Emmer op onze onderzoeksresultaten over slavernij en de economie. Nieuwe inzichten gaan altijd gepaard met debat, en dat juichen we toe. Dat geldt niet voor het verspreiden van foutieve informatie over het eigen onderzoek of dat van een ander. Emmer stelt dat wij „een piekjaar hebben gekozen en van daaruit zijn gaan extrapoleren”. Wanneer Emmer de grafiek bij onze berekeningen had bekeken, die ook in verschillende media is overgenomen, had hij kunnen zien dat de piekjaren rond 1760 en 1780 lagen. Het gewicht van de slavernij in het bbp van Holland lag toen waarschijnlijk anderhalf keer zo hoog als in het door ons gebruikte doorsneejaar. Emmer beweert daarnaast dat hij zelf al een gemiddeld percentage van 3 procent van het bbp heeft berekend voor de gehele periode 1650-1850. In de onlangs door hem volledig bijgewerkte editie van zijn Geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel vinden wij weliswaar op pagina 199 het getal van 3 procent, maar alleen voor een ongespecificeerd jaar „eind achttiende eeuw”. Als het al mogelijk zou zijn geweest om deze gissing te extrapoleren, dan zou Emmer op zijn minst moeten uitleggen hoe een ‘piekjaar’ exact hetzelfde percentage kan vertonen als het gemiddelde over twee eeuwen.

Wat ons nog het meest verbaast is de opmerking van collega Emmer: „Ze moesten wellicht stevige conclusies trekken om de NWO-financiering van hun onderzoek te rechtvaardigen.” Dit is nogal een beschuldiging. Wie zonder onderbouwing zulke insinuaties rondstrooit, zet zichzelf wetenschappelijk buitenspel.

en
Auteurs van het onderzoeksrapport De betekenis van de Atlantische slavernij voor de Nederlandse economie in de tweede helft van de achttiende eeuw