Winnen zit in de cultuur bij de hockeysters van Oranje

Hockey De Pro League is de elfde mondiale hoofdprijs voor de Nederlandse hockeysters sinds 2006. Uniek is die zegereeks niet.

De Nederlandse hockeysters vieren de eindzege in de Pro League.
De Nederlandse hockeysters vieren de eindzege in de Pro League. Foto Koen Suyk/ANP

Het leek de normaalste zaak van de wereld, toen aanvoerder Eva de Goede zaterdagavond uit handen van FIH-voorzitter Narinder Batra de 48,5 centimeter hoge Pro League Trophy van verguld messing kreeg. Wéér een mondiale hoofdprijs voor de Nederlandse hockeysters, hoe kon het ook anders?

Zo vanzelfsprekend was het bepaald niet. Allereerst had de finale van de eerste editie van het landentoernooi dat de World League en de Champions Trophy heeft vervangen, evengoed anders kunnen aflopen. Oranje was veel sterker dan Australië, maar na een uur spelen stond er een gelijke stand (2-2) op het scorebord van het met 6.500 toeschouwers uitpuilende Wagener-stadion. Shoot-outs dus. Na drie Australische missers was het Lauren Stam die de beslissing bracht.

Bovendien hebben de successen van de laatste jaren doen vergeten dat er een periode is geweest waarin de hockeysters vaak met lege handen bleven. Jaren waarin niet Nederland, maar Australië alleenheerser was op de internationale velden. Van 1988 tot en met 2000 wonnen de ‘Hockeyroos’ tien van de veertien internationale hoofdprijzen: drie keer olympisch goud, twee keer WK-goud en vijf keer de Champions Trophy – die laatste werd in 2003 ook nog een keer gewonnen.

„Wij hebben in die periode de sport veranderd”, zegt Ric Charlesworth vanuit zijn woonplaats Perth. Charlesworth was van 1993 tot en met 2000 bondscoach van de Australische hockeysters. „Iedereen riep altijd maar dat we alleen superfit waren, maar we waren technisch ook heel erg goed. Anders hadden we nooit op zo’n hoog tempo kunnen spelen.”

Met hun snelle spel waren de Australische vrouwen zo goed als onverslaanbaar. Dat was voor een belangrijk deel de verdienste van Charlesworth, die zijn tijd ver vooruit was. Door de interchange-regel, na de Olympische Spelen van Barcelona in 1992 ingevoerd, was het mogelijk om continu door te wisselen. Van die regel maakte Charlesworth vanaf het eerste moment gebruik, in tegenstelling tot de meeste andere bondscoaches. „Hartslagmeters hadden aangetoond dat speelsters uitrustten op het veld. Ik besloot dat ze dat dan net zo goed op de bank konden doen. Interchange zorgde er ook voor dat iedereen veel aan spelen toekwam. Daardoor beschikte ik over een brede selectie van ervaren speelsters.”

Het verleden telt niet

Een van die speelsters was Alyson Annan, destijds een veelscorende aanvaller, tegenwoordig bondscoach van Nederland. Annan ziet zeker overeenkomsten tussen het Australische team van toen en de Nederlandse selectie van nu. „Wij hebben ook een grote, goede kern. Maar net zo belangrijk is dat iedereen die bij de ploeg komt, beseft: het succes is niet jouw succes, het verleden telt niet. Dat proberen we duidelijk te maken.”

De gouden periode voor Nederland brak aan in 2006, toen in Madrid de eerste wereldtitel in zestien jaar werd gewonnen. Twee jaar later gevolgd door de eerste olympische titel in 24 jaar, op de Spelen van Beijing. „We waren jarenlang niet nummer één geweest”, zegt Marc Lammers, in 2000 aangesteld als bondscoach. „We hadden een grote achterstand, vooral fysiek. Australië trainde tien keer per week, wij vier. We zijn toen met de internationals twee dagen op Papendal gaan trainen. Ook gingen de speelsters professioneler leven.”

De huidige generatie is volgens Lammers dan ook schatplichtig aan de internationals uit zijn tijd. „Die zijn toen zelf opgestaan, ze wilden nóg vaker en nóg harder trainen. Voor hetzelfde geld hè, de bijdrage van NOC*NSF werd echt niet verhoogd. Ze wilden gewoon heel graag kampioen worden. Van die mentaliteitsverandering heeft het Nederlandse hockey nog altijd profijt.”

Kwestie van opvoeden

Eva de Goede speelde in 2006 als zeventienjarige haar eerste wedstrijden voor Oranje. Zij beaamt dat de destijds opgebouwde cultuur nog altijd bestaat. „Dat is ook een kwestie van opvoeden. Voor mij is dit altijd een winnaarsteam geweest. We hebben inmiddels zoveel gewonnen, maar toch blijft het altijd weer ons streven om de beste te zijn.”

Marc Lammers noemt het „de flow van succes”, die volgens hem „besmettelijk” is. „Er is een cultuur ontstaan die door speelsters wordt doorgegeven. Dat begint al bij de nationale jeugdteams.”

Volgens Annan is de structuur van het Nederlandse hockey het belangrijkste verschil met Australië. „Hier hebben we goede nationale selecties onder 21, 18 en 16 jaar, met goede bondscoaches. Dat ontbrak in Australië, vandaar dat het succes ineens ophield.” De Hockeyroos wonnen na 2003 nooit meer een hoofdprijs.

Charlesworth zegt dat geld ook een grote rol speelde bij het ongekende Australische succes van weleer. In aanloop naar de Spelen van Sydney 2000 waren de budgetten opgetrokken naar een niveau dat hij later nooit meer zou meemaken. „Toen ik in 2009 bondscoach bij de mannen werd, hadden we veel minder geld te besteden dan in mijn jaren bij de vrouwen.” Lammers ziet de financiën als een niet te onderschatten succesfactor. „De geldkraan in Perth ging dicht, terwijl NOC*NSF en de KNHB zijn gaan investeren in tophockey.”

Met als gevolg dat De Goede zaterdag in Amstelveen de elfde mondiale trofee sinds 2006 omhoog kon tillen. „We vragen ons weleens af wanneer het ophoudt”, zegt De Goede. „Voorlopig niet denk ik, we hebben er nog lang geen genoeg van.”