Opinie

Een vicepremier, alleen voor Europese zaken

In Europa

Om Europese topbanen is altijd hevig gekonkeld. Regeringsleiders halen alle trucs uit de kast om hun favorieten op hoge posten in Brussel en Frankfurt te krijgen. Als ‘jouw’ mensen daar zitten, kun je ze controleren.

Ditmaal is het gevecht extra verbeten. Om twee redenen. Ten eerste willen regeringsleiders de regie terugklauwen van het Europees Parlement, dat hen vorige keer overrompelde met het Spitzensysteem. Regeringsleiders willen zélf benoemingen doen. Zoals vroeger. Daarom gaat hun gevecht tegen de Spitzen niet alleen om poppetjes, maar ook om de macht: wie bestuurt Europa, parlement of lidstaten?

Ten tweede wordt Europa steeds belangrijker, met één markt, Schengenzone en munt. China en Amerika willen de wereld hun spelregels opleggen. Europese landen komen alleen aan de bak als ze als blok optreden. Degenen die dit blok leiden of vertegenwoordigen, worden dus machtiger.

Vanwege die veranderde internationale context wordt de federale structuur die de EU al had de laatste jaren steeds beter ingevuld. Europese regeringsleiders en ministers nemen steeds meer beslissingen in Brussel. Nationale parlementen kunnen hen niet controleren of corrigeren. Daarom krijgt het Europees Parlement die macht. De burger krijgt zo meer greep op het wetgevende proces in Brussel. Ook controleorganen als het Europese Rekenhof en de rechterlijke macht geven tegenwicht – zie het vonnis over de Poolse justitiehervormingen deze week.

Lidstaten vinden dit niet leuk. Ze willen de macht terug. Ze proberen de Spitzen te killen, willen de Commissie hun agenda opleggen en renationaliseren EU-handelsbesluiten. Zo maken ze de EU het werken onmogelijk.

Regeringsleiders en ministers hebben Europese zaken er altijd ‘bij’ gedaan. Ze runnen hun land, en komen op een achternamiddag naar Brussel voor Europese besluiten. Ze vechten voor het nationale belang. Daar zijn ze voor aangesteld – niet om Europa te besturen. Nu thema’s als klimaat, migratie of zelfs defensie Europees worden afgehandeld, is dit een nijpend probleem.

Er zijn vier beleidsniveaus: gemeentelijk, regionaal, landelijk en Europees. Op de eerste drie kiezen of benoemen we bestuurders die voor dat niveau competent zijn – niet voor het niveau erbóven, want dat heeft nooit prioriteit. Er is maar één plek waar dat wel gebeurt: in de EU. Daar worden besluiten genomen door mensen voor wie Europa geen prioriteit is. Je kunt nationale politici die de Europese politiek domineren, vergelijken met de provincie Drenthe die de Nederlandse begroting vetoot. Of de deelstaatpremier van Beieren die de Duitse buitenlandpolitiek naar zijn hand zet. Als dingen zo zouden lopen, zouden Nederland of Duitsland nauwelijks functioneren.

Een land besturen wordt steeds ingewikkelder. Ministers en regeringsleiders hebben minder tijd voor Europa dan ooit, terwijl ook dat juist extra aandacht nodig heeft. Op Brusselse ministerraden komen soms maar vijf, zes ministers opdagen. Vroeger waren er vier Europese toppen per jaar, nu talloze. Data prikken voor 28 regeringsleiders is een hel. Hun dossierkennis is gering. Ze beslissen over dingen waar ministers mee verder moeten, wat vervolgens niet gebeurt.

De oplossing, zei de Slowaakse minister Lajcak dinsdag op een seminar van de European Council on Foreign Relations in Lissabon, „is dat de lidstaten aan de kant gaan en Europese leiders namens ons allen laten beslissen”. Maar dat gaat natuurlijk niet gebeuren.

Er is een quickfix: alle lidstaten zouden een vicepremier moeten benoemen, een zwaargewicht die alleen Europese zaken doet en géén nationaal ministerie heeft. Die moet fulltime Europese dossiers volgen, contact houden met collega’s in andere landen, toppen van regeringsleiders voorbereiden, ministers herinneren aan Europese afspraken.

Europa heeft zorg nodig. Aandacht. Als je alles dan per se zelf wilt doen, doe het dan ook goed.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.