Bijna stapte een minister op door het klimaat. Nu stáát de coalitie. Wat nu?

Deze week: spanning in de Trêveszaal, beraad over Rutte/Brussel, de samenhang tussen klimaatbeleid en nationale identiteit. Ofwel: als Rutte III pensioenen en klimaat kan pacificeren – valt daar iets van te leren?

Het klimaatbeleid is er eindelijk, goed nieuws, al was het een lange hindernisbaan. En tot het allerlaatst ervoeren ze in het kabinet dat een ongeluk nooit ver weg was.

Zo had je vorige week vrijdag nog spannende momenten in de ministerraad.

De avond tevoren was er coalitieoverleg over de klimaatplannen, en bij de zogenoemde ‘terugkoppeling’ vrijdag in de Trêveszaal, vatte één van de ministers, begreep ik, het zo samen: ‘we gaan rekeningrijden’.

Cora van Nieuwenhuizen (VVD), minister van Infrastructuur en Waterstaat, viel onmiddellijk uit haar rol.

Zij liet ter plekke weten dat het in dat geval voor haar niet meer hoefde. Dat zij in dat geval ontslag nam.

Consternatie, overleg, vragen – een glas water.

Wat meespeelde, hoorde je achteraf, was dat de minister buiten het coalitieoverleg over het klimaatbeleid was gebleven.

Al weken circuleerden berichten dat de VVD ‘bewoog’ op dit gevoelige thema, maar Van Nieuwenhuizen hield zelf publiekelijk vol, verwijzend naar het regeerakkoord, dat dit kabinet nooit rekeningrijden zou invoeren.

De lucht klaarde voor haar, mede dankzij contact met de leiding van de VVD-fractie, waaruit bleek dat rekeningrijden op zijn vroegst de volgende kabinetsperiode wordt ingevoerd.

Het voorval werd deze week in kleine coalitiekring, en onder topambtenaren, gretig rondverteld. Ramptoerisme in de residentie. Maar ook liet het de enorme gevoeligheid van het klimaatdossier zien – zeker nu er, na twee jaar onderhandelen, geen weg terug meer is.

Tegelijk had je volop coalitiepolitici die tevreden vaststelden dat ook dit hoogoplopende debat, ondanks alle gesomber, naar goed Hollands gebruik is gepacificeerd.

Al kon je na de presentatie, vrijdag, nog steeds zeggen dat nog veel details over de gevolgen ontbraken – en dat Urgenda goeddeels was blijven liggen.

Aan de andere kant was er aan gevoelige beslissingen geen gebrek. CO2-heffing voor de industrie, fonds voor gasvrije woningen, verlaagde energierekening, minder fiscale bevoordeling van de Teslarijder, en dus – op termijn – rekeningrijden.

En drie maanden terug, nadat FVD dankzij het klimaatdebat de Statenverkiezingen won, had je nog genoeg waarnemers die zeker wisten dat de coalitie hierover deze zomer zou struikelen.

Maar vermoedelijk heeft Baudet net te vroeg gepiekt. Alle partijen – ook de linkse oppositie – concludeerden na zijn zege dat vooral FVD profijt zou hebben van verdere controverse over klimaatbeleid.

En dus verplaatste het debat zich naar de binnenkamer – zonder de moodswings van de eerste anderhalf jaar, en in de overtuiging dat een evenwichtig akkoord in ieders belang was.

Bij de pensioenen, nog zo’n taai dossier dat Rutte III tot een goed einde bracht, ging het in kern net zo: zes partijen (coalitie en linkse oppositie) die bij lastige keuzes elkaar overeind hielden.

Heel paradoxaal allemaal: ondanks een verlangen naar transparantie, naar heldere posities voor de eigen achterban, blijken brede akkoorden nog steeds mogelijk zolang politici kiezen voor kalmte, begrip en een zachte hand.

Het deed me denken aan de studie over nationale identiteit die het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) woensdag vrijgaf. Er bleek uit dat verreweg de meeste burgers zich ergeren aan het opgeklopte conflict dat Den Haag zo vaak produceert.

Ik kan niet zeggen dat het me enorm verraste – de politiek staart zich al sinds Fortuyn blind op flanken waar tachtig procent van de bevolking niets mee heeft.

Dus de oplossing – voor politiek én media – is om niet telkens het nieuwste symbool van een vermeende volksopstand een podium te geven – de gele hesjes (2019), De Nederlandse Leeuw (2018), Wilders-groupies in de media (2017), etc.

Maar nu Rutte III, na een lange aanloopperiode, bij pensioenen en klimaat partijen wonderlijk knap bijeen heeft gebracht, kun je daar nog wel een interessante vervolgvraag over stellen.

Zou het kunnen dat ook bij splijtende identiteitskwesties buiten de politiek – Zwarte Piet, het slavernijverleden – een polderende aanpak effectiever is dan het confronterende activisme, online en op straat, dat we nu zo vaak zien?

Iedereen begrijpt dat je actie en confrontatie nodig hebt om thema’s te agenderen en steun te rekruteren. Maar het lijkt me een aanwijzing dat ook iemand als Jerry Afryie, activist tegen Zwarte Piet, heeft gekozen voor polderen: de Volkskrant schetste vorig jaar al hoe hij zaaltjes in het hele land afreist om opponenten zijn standpunt toe te lichten.

Niet alleen geduldig en moedig – uiteindelijk ook effectiever.

En in de slavernijdiscussie zou je hopen dat mensen met uitgewerkte standpunten eenzelfde houding opbrengen. Ongetwijfeld heb je activisten die het belang van excuses en herstelbetalingen prima kunnen onderbouwen – en polariseren is agenderen.

Maar ook voor die activisten kan die SCP-studie van deze week nuttig zijn – omdat praten domweg beter werkt dan eisen. En overtuigen beter dan dicteren.

Steeds heb je in Den Haag periodes waarin ook politici afkerig van polderen zijn. Het interessante is alleen: zelfs principiële opponenten – VVD’ers, D66’ers – vallen erop terug zodra het erop aankomt.

Daarom kan op dit gebied – ik zeg het niet vaak – de maatschappij nog wel iets van de Haagse politiek opsteken.

Nog een week en de Kamer gaat met zomerreces – en de politieke wereld zal een totaal andere dynamiek hebben als partijen daarvan in augustus terugkeren.

D66 wil uiterlijk maart 2020 de lijsttrekker voor de volgende verkiezingen (maart 2021) aanwijzen. Het CDA doet dit vermoedelijk zomer 2020. Het worden nu dus ook maanden waarin politici nadenken of ze zich in zo’n strijd willen mengen.

Bij D66: Jetten, Ollongren, Kaag? Bij het CDA: De Jonge, Hoekstra, Keijzer?

En dan is er de olifant in de kamer: Rutte.

Je merkte de laatste weken dat in coalitiepartijen bijzonder goed werd opgelet hoe het overleg over Europese topfuncties verloopt.

Zo kreeg ik van diverse zijden bevestigd dat vorige week donderdag, in het bewindspersonenoverleg (BPO) van één van de coalitiepartijen, een „breed gedragen analyse” is doorgesproken waarbij Rutte tóch naar Brussel gaat, als voorzitter van de Europese Raad (de huidige functie van Donald Tusk).

In de besproken variant zou de baan eerst 2,5 jaar door de Belgische premier Michel worden vervuld, en daarna, vanaf 2022, 2,5 jaar door Rutte.

Uit Brussel en de VVD kreeg ik stellige ontkenningen, ze klonken geloofwaardig, dus het gesprek in dat BPO laat vermoedelijk vooral zien hoezeer iedereen op scherp staat.

Want: als Rutte niet opnieuw VVD-lijsttrekker wordt, is het vermoedelijk aantrekkelijker CDA of D66 aan te voeren.

Of: als Timmermans geen voorman van de Europese Commissie wordt, nemen de kansen van kandidaten voor de Commissie uit coalitiepartijen CDA en D66 toe, bijvoorbeeld die van Sigrid Kaag (D66) – wat voor een D66-leider met aspiraties als Jetten óók nogal van belang kan zijn.

Het is de keerzijde van politiek succes zoals Rutte III dit nu ervaart: het genereert vanzelf de onrust van de individuele ambitie, en het verlangen vroegtijdig te weten hoe de zaak ervoor staat als na de zomer de nieuwe tijd aanbreekt. De nieuwe tijd van kansen, keuzes en eerzucht.