Zij zag als eerste de structuur van een eiwit

Ze waren belangrijk voor de wetenschap, maar deze vrouwen stonden in de schaduw.

Het leven van de Britse Dorothy Crowfoot Hodgkin begon als een filmklassieker. Geboren in Caïro bracht ze als klein meisje de eerste jaren van de Eerste Wereldoorlog door bij haar grootouders in Engeland en ging daarna naar een Soedanese basisschool in Khartoem waar haar vader als archeoloog werkte. Maar ook toen ze vanaf haar elfde gewoon op Britse kostscholen op haar studie in Oxford werd voorbereid, deed ze alles net even anders. Ze stortte zich op de bètavakken en vooral op de scheikunde. Voor haar zestiende verjaardag kreeg ze van haar moeder een dik boek over kristallografie.

Dat werd ook het vak waarin Crowfoot Hodgkin zou excelleren. In 1932 stapte ze als promovenda bij John Bernal in Oxford in de mooie Britse onderzoekstraditie van de röntgenkristallografie. Vader en zoon Bragg, de leermeesters van Bernal, hadden twintig jaar eerder laten zien dat je röntgenstralen als stuiterballetjes kan laten terugkaatsen tegen de atomen in een regelmatig kristal. Stuiteren ze niet tegen de eerste rij atomen, dan stuiteren ze wel tegen een van volgende rijen.

Althans, als je ze onder de juiste hoek wegschiet en als er precies een geheel aantal röntgengolflengtes – of: een rond aantal stuiterballetjes – past in de weglengte tussen twee rijen. Is dat niet zo, dan wordt het een rommeltje. Geldt dat wel, dan keren alle stralen in de pas terug en zorgen op een fotografische plaat voor een kenmerkend, regelmatig patroon.

Bernal en vooral Crowfoot Hodgkin brachten die methode naar een hoger plan. Het was makkelijk genoeg om de juiste hoeken en golflengtes te vinden – en daarmee de precieze structuur – van een simpel metaal of zoutkristal. Maar Crowfoot Hodgkin en Bernal wilden kristallen van biologische moleculen doormeten. En hoe netjes die biomoleculen daarin ook waren gerangschikt, hun eigen vorm was ingewikkeld.

Er waren dus lange berekeningen nodig om, uitgaande van een voorlopig model van de moleculen, de beginhoeken en golflengtes van de straling te bepalen. Stap voor stap moest het model daarna doorgemeten, bijgesteld en verfijnd worden. Al het rekenwerk daarbij moest zonder computers met hand en hoofd worden gedaan.

In 1937 lukte het Crowfoot Hodgkin om zo als eerste ooit een biomolecuul door te lichten: pepsine, een enzym dat in de maag eiwitten in stukjes breekt.

Daarna zorgde Crowfoot Hodgkin nog voor een hele rij nieuwe primeurs: ze publiceerde als eerste de structuur van een steroïde (1945), die van penicilline (1949) en die van vitamine B12 (1955) – de laatste met hulp van een computer van Alan Turing. In 1958 kreeg ze in Oxford een eigen, modern laboratorium en in 1960 werd ze – eindelijk – tot hoogleraar benoemd. Ze was dus professor toen haar in 1964 de Nobelprijs toeviel voor haar ontdekkingen.

Voor de Britse kranten was dat véél exotischer dan al haar kinderjaren bij elkaar. „Nobelprijs voor Britse huisvrouw”, kopte de Daily Mail. Maar haar collega’s waren niet verrast. Sommigen hadden gezien hoe zij in 1938, hoogzwanger van de oudste van haar drie kinderen, onverschrokken een geweldige voordracht gaf. Veel latere medewerkers waren vrouwen die zelf carrière zouden maken (zoals de Nederlands-Amerikaanse Clara Brink Shoemaker) en allemaal wisten ze dat Crowfoot Hodgkin een belangrijk vakgebied had opengelegd.

Er was ook een oud-student die het vak verliet: Margaret Thatcher. Politiek gezien waren ze het niet eens: Crowfoot Hodgkin stemde Labour en was lange tijd voorzitter van de Pugwash Conferenties die vrede moesten bevorderen. Maar het portret van Crowfoot Hodgkin – vriendin en voorbeeld – hing pontificaal in Thatchers kantoor in Downing Street.