Recensie

Recensie

De 17e-eeuwse onderhandelaar die naar Algiers ging om Nederlandse gevangenen vrij te krijgen

Cornelis Pijnacker Vertrouwd met ‘orientaelsche spraecken’ zond de Staten-Generaal deze hoogleraar in 1622 naar Algiers voor onderhandeling over de beduchte kaapvaart. Een lastige taak, blijkt uit een biografie.

Cornelis Pijnacker (1570-1645)
Cornelis Pijnacker (1570-1645) Mary Evans Picture Library

Het is altijd weer verbazingwekkend te lezen hoeveel begaafde mannen de jonge Republiek der Verenigde Nederlanden op poten hebben weten te zetten. Een kader van universitair geschoolde staatslieden, advocaten, professoren, regenten, theologen, ambtenaren en diplomaten – of dat allemaal tegelijk –, universitair opgeleid, schraagden de nieuwe staat. Johan van Oldenbarnevelt, Hugo de Groot, Constantijn Huygens mogen dan de bekendsten zijn, er werd ook een heel leger van minder bekende, getalenteerde lieden uit de grond gestampt.

Tot die laatste categorie behoorde Cornelis Pijnacker, naar wie geen straat is vernoemd, laat staan dat hij een standbeeld heeft gekregen. Aan deze Pijnacker, die leefde van 1570-1645, en dus ongeveer de hele Tachtigjarige Oorlog heeft meegemaakt, is nu een gedetailleerde biografie gewijd. Het helder geschreven boek biedt veel context, die hier en daar wat van de hoofdlijnen van dit leven afleidt, en bevat veel illustraties.

Pijnackers leven, alles bij elkaar succesvol, vertoont een aantal opvallende breuken die hem tot een interessante persoon maken. Hij stamde uit een niet onbemiddeld protestants milieu, kon goed leren, doorliep de Latijnse School, studeerde theologie en rechten in Leiden, promoveerde daar en maakte een studiereis door Duitsland, Frankrijk en Italië. Op die reis liep hij nog colleges in Heidelberg en Padua. Teruggekeerd trouwde hij op stand. Tot dan toe past hij in het profiel van zo vele goed opgeleide burgerzonen.

Hij werkte hier enige tijd als advocaat, waarna hij in Leiden werd benoemd tot hoogleraar in de rechten. Zeventien jaar lang onderrichtte hij generaties studenten in het Romeins recht. Op een haar na miste hij een promotie tot rector van de universiteit. Teleurgesteld solliciteerde hij naar een vergelijkbare positie in Groningen, wat hem in Leiden op ontslag kwam te staan. Maar gelukkig ontving Groningen hem met open armen en daar werd hij wél tot rector benoemd.

Carrièrewissel

In 1622 deed zich een veel ingrijpender carrièrewissel voor. Pijnacker was ‘in de orientaelsche spraecken wel ervaren’ en de Staten-Generaal zonden hem vanwege die kennis naar Algiers. Hij kreeg een uitermate lastige opdracht: hij moest daar de pasha overhalen tot een vredesverdrag. Dat was hard nodig. Vanuit Algiers voeren, evenals uit Tunis, Tripoli en het Marokkaanse Salé, kaperschepen die er op uit waren Europese vrachtschepen in de Middellandse Zee en ook ver daarbuiten te overweldigen en als buit mee naar hun thuishaven te brengen. Schip en lading werden verkocht en de bemanning wachtte de slavernij.

De Noord-Afrikaanse landen, kortweg Barbarije genaamd, behoorden formeel tot het Osmaanse Rijk, maar bezaten een grote mate van autonomie. De zo gevreesde kaapvaart was, hoe gek het ook klinkt, legaal. Kaapvaart was een soort particuliere oorlogsvoering tussen staten die met elkaar in oorlog waren.

Kapers kregen van hun overheid een zogeheten kaperbrief en mochten vijandelijke schepen aanvallen en veroveren. Het waren dus geen piraten – een term die betrekking heeft op vrijbuiters of zeerovers – die niet gesanctioneerd door een overheid op eigen houtje opereerden.

Die Barbarijse kapers vormden een ware plaag die niet alleen de handel aanzienlijke schade toebrachten, maar ook de gevangen opvarenden in de grootste ellende stortten. Zij moesten stenen hakken voor de vestingwerken, op de akkers werken of roeien op de galeien. Sommige gevangenen kozen eieren voor hun geld en lieten zich bekeren tot de islam en konden een vrij bestaan in Barbarije opbouwen. Enkele Nederlanders hebben zich zelfs tot geduchte kapers ontwikkeld.

Geen wonder dat men er in de Republiek van af wilde. De vraag was alleen hoe. Soms probeerde men het met geweld. Dan werden de vrachtschepen gekonvooieerd door oorlogsschepen die aanvallers konden afslaan. Soms voerden oorlogsschepen strafexpedities uit, maar het effect bleek nooit afdoende. Daarom probeerden de Staten-Generaal het via de diplomatieke weg. Zij besloten een gezantschap naar Algiers te sturen.

De opdracht luidde: sluit een vredesverdrag met deze staat en probeer zoveel mogelijk gevangen Nederlanders vrij te kopen. De Barbarijers moest daarbij ‘vrij schip-vrij goed’ garanderen. Dat betekende vrijhandel: Nederlandse schepen zouden gevrijwaard moeten zijn van aanvallen door kapers en van inspectie van hun lading. Aan het hoofd van dit gezantschap benoemden zij Cornelis Pijn- acker.

Inzamelacties

De Algerijnen waren niet per se gebaat bij een vredesverdrag. De kaapvaart bracht namelijk veel geld op. Niet alleen dankzij de buitgemaakte schepen en de lading, maar ook door de hoge bedragen die zij bedongen voor de vrijkoping van de gevangenen.

Dat werd een uiterst winstgevende bedrijfstak. Na moeizame onderhandelingen en tegen zeer hoge bedragen werden Christenslaven vrijgekocht. In Nederland werden daartoe onder meer inzamelacties georganiseerd. Een voordeel van een eventueel vredesverdrag voor de Algerijnen was dat zij samen met de Nederlanders konden optreden tegen een gezamenlijke vijand: de Spanjaarden.

Pijnacker kreeg in de zomer van 1622 een ontvangst met de nodige pracht en praal en zijn geschenken werden met dankbaarheid ontvangen. Toen begon het eigenlijke werk, de onderhandelingen. Die verliepen uitermate stroef. Mooie woorden vlogen over en weer, tijd werd gerekt, steekpenningen betaald en de verveling sloeg toe. Toch, dankzij Pijnackers doorzettingsvermogen, resulteerden de gesprekken in twee vredestraktaten, een met Algiers en een met Tunis.

Hoe mooi de twee verdragen ook geformuleerd en gekalligrafeerd waren, lang hielden ze niet stand en in 1625 werd Pijnacker er opnieuw op uit gezonden. Ook nu weer volgde het spel van vriendelijke, maar loze beloftes. Daarbij brak ook nog een onverkwikkelijke ruzie uit met enkele van zijn medereizigers. Uiteindelijk werden vernieuwde, maar weinig succesvolle traktaten bereikt, maar van de zo gewenste bepaling ‘vrijschip-vrij goed’ zou het nooit komen.

Pijnackers carrière beleefde nog tweemaal een draai. In 1629 verhuisde hij naar Drenthe waar hij als advocaat, juridisch adviseur en zelfs als cartograaf werkte tot hij – al 66 jaar oud – werd benoemd tot hoogleraar in de rechten in Franeker. Tot zijn dood heeft hij daar gedoceerd.

Op een enkel herdenkingsartikeltje na van de universiteiten waar hij had gewerkt raakte Cornelis Pijnacker in de vergetelheid. Dat had anders kunnen lopen. Hij schreef namelijk een buitengewoon informatieve tekst over de Noord-Afrikaanse staten, over de praktijken van de Barbarijse kapers en over het wrede lot van de gevangen christenen. Dit Historysch verhael van den steden Thunes, Algiers ende andere steden in Barbarien gelegen bereikte de drukpers niet, het manuscript raakte zelfs verloren. Gelukkig dook er een kopie van op, maar het duurde nog tot 1975 voordat er hier een uitgave van tot stand kwam.

En nu, vierhonderd jaar na zijn enerverende gezantschappen naar Barbarije, kunnen we ook lezen hoe Cornelis Pijnackers leven is verlopen. Bij gebrek aan persoonlijke documenten komen we niet heel dichtbij een mens van vlees en bloed. Wel rijzen de contouren op van een intelligente man met een gevarieerde belangstelling, rechtzinnig in de leer, steunend op een breed netwerk en gezegend met een behoorlijke portie doorzettingsvermogen en lef.