Opinie

Kabinet kiest ervoor de burger op afstand te blijven houden

Commissie-Remkes

Commentaar

De reactie van het kabinet op het eind vorig jaar verschenen advies van de staatscommissie parlementair stelsel is geheel in lijn met de langdurige geschiedenis van het onderzochte probleem. Voorzichtig aan, niet forceren, nader bestuderen, verder uitwerken. Dat is de teneur van de 26 pagina’s tellende reactie waarvan minister Kajsa Ollongen (Binnenlandse Zaken, D66) de eerstverantwoordelijke is. Staatkundige vernieuwing is ook onder dit kabinet een veel besproken onderwerp zonder dat dit tot veel concreet handelen leidt. Het blijft daarmee een thema ‘voor de zondag’.

Opvallend is dat een van de markantste voorstellen van de staatscommissie onder leiding van oud-VVD-politicus Johan Remkes direct door het kabinet is ‘geprullemandeerd’: Haags bureaucratisch jargon voor het verwerpen van een voorstel zonder dit met zoveel woorden te zeggen. Het betreft het idee om een bindend correctief referendum in te voeren. Niet verwonderlijk trouwens dat het kabinet er niets voor voelt. Het was immers dit kabinet dat het in 2015 geïntroduceerde raadgevend referendum in 2018 weer afschafte.

Maar een iets opener benadering van dit vraagstuk zou het kabinet niet hebben misstaan. De roep om meer vormen van directe democratie is immers aanhoudend. Het raadgevend referendum dat tot twee volksraadplegingen met een hybride uitslag leidde, was hierop het niet geslaagde antwoord. Het door de commissie-Remkes geopperde correctief referendum met een uitslag „waarover niet gecorrespondeerd kan worden” en serieuze drempels alvorens het referendum wordt uitgeschreven kwam aan een deel van de bezwaren tegemoet. Maar dit kabinet kiest ervoor de burger op afstand te houden.

Diezelfde burger mag als het aan het kabinet ligt wel meer invloed krijgen op de samenstelling van de volksvertegenwoordiging. De voorkeursstem krijgt zwaarder gewicht, waardoor individuele kandidaten meer kans krijgen op eigen kracht en gezag te worden verkozen. Het kan helpen de befaamde kloof tussen kiezer en gekozene te verkleinen. Toch is voor de kiezer de herkenbaarheid van het door compromissen en achter de schermen gevoerde onderhandelingen gevormde beleid eerder het probleem dan de herkenbaarheid van de verkozenen. In die zin is er sprake van een marginale oplossing.

Interessant is dat het kabinet in weerwil van de eerder door de staatscommissie geventileerde bezwaren voorstander is van een andere zittingsduur van de Eerste Kamer. Door senatoren in plaats van vier jaar voor een periode van zes jaar te verkiezen – waarbij de 75 leden tellende Eerste Kamer elke drie jaar voor de helft wordt vernieuwd – wordt dit deel van de Staten-Generaal in mindere mate een afspiegeling van de tegenwoordig snel wisselende electorale voorkeuren.

Het was juist het toenemend politieke functioneren van de Eerste Kamer dat enkele jaren geleden de aanzet gaf tot de hernieuwde discussie over het parlementaire stelsel. Met de verkiezing in twee termijnen krijgt de niet rechtstreeks gekozen Eerste Kamer een minder politiek gehalte en kan de functie als chambre de réflexion, waarbij het in eerste instantie gaat om de inhoud van de wetgeving, beter worden waargemaakt.

Overigens wordt met deze opzet teruggekeerd naar de situatie van voor de Grondwetswijziging van 1983. Het is eigenlijk wel zo illustratief. Niet voor niets wordt staatkundige vernieuwing in Nederland al decennialang vergeleken met een processie van Echternach.