Het vluchtelingenkamp waar je een eigen zaakje kunt beginnen

Vluchtelingen in Kenia Het vluchtelingenkamp Kakuma in Kenia is uitgegroeid tot een ondernemend, multicultureel dorp met 186.000 inwoners.

Een van de vele vluchtelingen in het kamp Kakuma met een eigen zaakje.
Een van de vele vluchtelingen in het kamp Kakuma met een eigen zaakje. Foto Maral Noshad Sharifi

In het Keniaanse vluchtelingenkamp Kakuma is het altijd heet. Kleine zandtornado’s zorgen hier en daar voor wat wind. Aaron Ismail, op slippers, trekt de bodem open met een hak. Deze maandag bereidt hij onder de brandende middagzon een nieuwe tarweoogst voor. Met negen andere vluchtelingen huurt de zestienjarige jongen een stuk land waarop hij groenten verbouwt. In z’n eentje. „Ik ben de enige zonder kinderen”, zegt hij schouderophalend.

Vier jaar geleden vluchtte Aaron Ismail, Zuid-Soedanees, zonder familie naar het noordelijke deel van Kenia. Hier kon hij wél naar de middelbare school en werk vinden. Op school leert hij gewassen te verbouwen. Het liefst wil hij doorstuderen, een echte agrariër worden. „Ik zie mijzelf voor altijd in Kakuma blijven,” zegt hij, „als hoofd van de landbouwafdeling”. Hij verdient genoeg geld om de pacht te betalen en naar school te gaan. Zijn jongere broer is ook overgekomen.

Een vogel die over het kamp vliegt, ziet een woestijngebied met plukjes groen, kronkels van opgedroogde rivieren, kleine huisjes met golfplaten. Op aarde tref je een bruisend dorp waar alleen de lammetjes en ezels verveeld lijken. Een paar uur naar het oosten ligt Lake Turkana, het grootste woestijnmeer ter wereld. Wel honderd krokodillen buitelen hier over elkaar heen.

Het vluchtelingenkamp, geopend in 1992, ligt niet ver van het grensgebied tussen Kenia, Oeganda, Zuid-Soedan en Ethiopië, een al decennia onrustige regio. Vroeger bereikten vluchtelingen het gebied lopend, nu worden ze soms in bussen opgehaald en rijden ze na een verblijf van enkele maanden of jaren weer terug. Of ze blijven hangen want er is genoeg te doen in Kakuma. Vluchtelingen volgen cursussen, zetten eigen bedrijfjes op; ze runnen al meer dan tweeduizend zaakjes.

Wij zagen de vluchtelingen op het land werken en dachten: dát willen wij ook

Nakali Nagalale (21) oorspronkelijke bewoner van Turkana, Kenia

Het kamp groeide zo uit tot een dorp van 186.000 mensen. Somaliërs, Ethiopiërs, Oegandezen, Congolezen, Rwandezen, Burundezen en Eritreeërs. Moslims, christenen, veel getalenteerde mensen. Kakuma is de geboorteplaats van het Somalisch-Amerikaanse fotomodel Halima Aden, die internationaal bekend werd met haar hoofddoek als handelsmerk.

Kakuma-bewoner Mohammed Hassan Mohamud was eind januari in het nieuws – als medevoorzitter van het World Economic Forum in Davos. En één ondernemer uit Kakuma, vertelt een woordvoerder van de Verenigde Naties, had zo veel succes met zijn winkel dat hij een kans op asiel in Canada liet schieten en in het kamp bleef.

Watermeloenen en aubergines

De afgelopen 28 jaar gingen vluchtelingen als Ismail erop vooruit: er kwamen schoolbanken, betere huizen. Maar de droogte nam ook toe – mede door klimaatverandering. Een groot probleem voor de Turkana’s, de Kenianen die in het gebied wonen en met hun vee leven als nomaden. Het district Turkana is nu een van de meest gemarginaliseerde van Kenia: 95 procent van de miljoen Turkana’s leeft onder de armoedegrens. Bijna de helft van de kinderen gaat niet naar school – en de meeste vluchtelingenkinderen wel.

Op een meisjesschool vertellen twee Soedanese tieners van twaalf en dertien – met de eloquentie van volwassenen – dat ze later accountant worden. De school heeft weleens de hoogste examenscores van heel Kenia gehaald, vertelt de directrice trots. Haar doel is de nieuwe generatie Afrikaanse leiders op te leiden.

Naarmate het beter ging met de vluchtelingen en slechter met de Turkana’s, braken er ruzies uit waarbij soms zelfs doden vielen. De UNHCR, de vluchtelingentak van de Verenigde Naties, begon vorig jaar een project dat de groepen nader tot elkaar moet brengen. Ze moeten elkaar nodig hebben, geld aan elkaar verdienen. Op het land, in winkels, kapperszaken en restaurantjes, net zo lang tot beide groepen zelfvoorzienend zijn.

Oorspronkelijke bewoner Nakali Nagalale (21) met een deel van zijn gezin.

Foto Maral Noshad Sharifi

Dat is de 21-jarige Turkana Nakali Nagalale al aardig gelukt. Naast het veldje van Ismail huurt hij sinds juni vorig jaar een stuk land waar okra, watermeloenen en aubergines groeien. „Wij zagen de vluchtelingen op het land werken en dachten: dát willen wij ook”, vertelt hij in de schaduw van een boom. Hij wijst naar Ismail die nog steeds staat te ploegen. Een Soedanese buurman leerde hem het vak. Achter hem ligt een lammetje te rusten.

Eerder verzamelde Nagalale hout en was hij herder, maar het werd steeds moeilijker om zijn vee te voeden – en z’n kinderen. „Nu kunnen er twee naar school.” Twee andere zijn daar nog te klein voor; zijn vrouw is zwanger van nummer zes. Om haar hals draagt ze een stapel gekleurde kettingen die haar nek verbergt – typisch Turkana.

Nagalale heeft sinds hij hier werkt meer contact met de vluchtelingen. Laatst leende hij een pomp van de Soedanezen. „De vluchtelingen zorgen voor werk”, zegt hij. „En we mogen nu naar hetzelfde ziekenhuis als zij.” Zijn vrouw krijgt daar gratis prenatale zorg, vaccinaties tegen ziekten.

Nagalale’s moeder ging jong dood, hij verliet samen met zijn zusje het huis en kon niet naar school. Net als meer dan 80 procent van de Turkana’s is hij analfabeet. „Ik wil genoeg geld verdienen om minder te werken en zelf alsnog naar school te gaan.”

Vijf schooluniformen

De gewassen die Ismail en Nagalale verbouwen verkopen ze door aan een tussenpersoon, die ze weer doorverkoopt aan marktlui als Nguo Kowose, lang, Zuid-Ethiopisch, 33 jaar. Ze leunt met een hand op haar heup. „Ja, ik heb werk, maar echt niet genoeg om mijn gezin te onderhouden”, zegt ze. Met haar andere, gebalde hand slaat ze op de tafel waar de groentes liggen die ze vandaag verkoopt. „Een groot deel van mijn winst gaat naar de brommerbestuurder die mij iedere dag naar de markt rijdt.”

Ze heeft vijf kinderen die naar school gaan. Dat is vijf paar schoenen én vijf schooluniformen, zegt ze. „Laatst heb ik mijn eten dat ik als voedselhulp ontvang, verkocht.” De spanningen in het kamp tussen Turkana’s en vluchtelingen voelt zij nog steeds. „De Turkana’s willen altijd maar afdingen op alles”, zegt ze boos. „De realiteit is dat we hier nog steeds hulp nodig hebben.”

„Wat wij doen is niet humanitair, wij doen aan business”, zegt Jacob Nyarwati van Action Africa Help, een ngo die bewoners begeleidt bij opleidingen en banen. Vluchtelingen die Kakuma binnenkomen moeten hem laten weten waar ze goed in zijn, wat ze willen leren. Nyarwati jaagt op bedrijven die spullen willen importeren uit het dorp. Soms kloppen ze bij hem aan, ook vanuit Europa, en vragen om vijfhonderd tassen of een x-aantal sieraden, het liefst in een bepaalde Afrikaanse stijl. De bewoners van Kakuma gaan dan aan de slag.

Als mensen als Ismail en Nagalale een stuk land willen huren, in groepjes van tien of vijftien, kunnen ze een lening krijgen van tussen de 800 en 1.700 euro. Rentevrij. Omdat er te weinig water beschikbaar is wordt er minder verbouwd dan was gehoopt.

Op de markt van Kakuma hebben veel jonge ondernemers kraampjes van enkele vierkante meters. Sommigen krijgen geld toegestuurd van familie in Europa en Amerika, en sturen hun winst door naar mensen in hun land van herkomst. Er is een supermarkt die producten importeert uit Soedan. Vlees haal je bij Boucherie DJ Kaled – hij wikkelt net een maag in een stuk papier. Een nieuw kapsel krijg je in de kapsalon van de twintigjarige Congolees Aime Siadi. „Toen de mensen in Kakuma armer waren, waren ze niet met hun uiterlijk bezig, knippen deden ze zelf”, zegt Siadi, terwijl twee klanten wachten om geschoren te worden. Het duurde even voordat hij genoeg klanten had, maar nu komen er tussen de vijftien en twintig per dag. Vijftig bob voor een nieuw kapsel, dat is bijna een halve euro. Het gaat zo goed dat hij zelfs een personeelslid heeft aangenomen: een Turkana.

„De verhouding tussen vluchtelingen en Turkanen is de laatste tijd broederlijker geworden”, zegt Siadi, die als tienjarige het kamp binnenkwam. Hij heeft zijn salon uitgebreid met een oplaadpunt voor smartphones, meer dan 60 procent van de mensen in het kamp heeft er een. Voor tien bob, zo’n acht cent, kunnen mensen hun telefoon opladen. „Als de kapperszaak nog beter loopt, wil ik ook een massagesalon openen.”

Hij zou eigenlijk wel terug kunnen naar Congo, maar hij blijft hier, zo lang het kan. „Hier ben ik gelukkig.”