Opinie

    • Luuk van Middelaar

Gevraagd: een hoofd aan Europa’s toptafel

Luuk van Middelaar

In het spel om EU-topfuncties moet de puzzel van geografische, partijpolitieke en genderevenwichten snel worden opgelost. Zaterdag houden de leiders van grote EU-landen alvast beraad bij de G20 in Japan – ‘Sudoku in Osaka’ met Merkel, Macron, Conte, Sánchez, Rutte en Tusk. Zondag komen alle leiders bijeen in Brussel. Men verwacht een lange nacht. Hopelijk blijft er ondanks de breinbreker van politieke evenwichten ruimte voor een ander criterium: persoonlijke kwaliteit.

Bij de vacatures voor de hoofden van de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank wegen de kwalificaties wel mee. Maar over de eisen voor de nieuwe voorzitter van de Europese Raad, de derde grote functie in het pakket, is het stil. Een zorgwekkend verzuim. Hoewel de opvolger van Donald Tusk over minder persoonlijke macht beschikt dan de nieuwe Jean-Claude Juncker of Mario Draghi, is het een vitale rol. De verkeerde kandidaat kan de EU tot vijf jaar impasses en verdeeldheid veroordelen. De voorzitter van de Europese Raad is geen hoofdpersoon op het wereldtoneel, zoals sommigen hoopten toen de functie in 2009 werd ingesteld. Evenmin is het een loutere protocolchef, die duimen draait tussen de jaarlijks vier toppen die het EU-verdrag voorziet.

Sinds 2010 manifesteert de Europese Raad zich als onbetwiste crisismanager. Het was aan Angela Merkel, Nicolas Sarkozy en hun collega-regeringsleiders om de eurostorm te temmen. Alleen zij beschikten over het publieke gezag om de grote, dringende en controversiële besluiten te nemen om de euro te redden. Terwijl de ECB uitgroeide tot de ‘kredietverlener in laatste instantie’, ontpopte de Europese Raad zich tot ‘beslisser in laatste instantie’. In de crises – van vluchtelingendrama tot Brexit-carnaval – kijkt het Europese publiek sindsdien naar de verzamelde nationale leiders voor richting en het laatste woord. Tien vergaderingen per jaar zijn geen uitzondering.

Dat vraagt om een persoonlijkheid met drie kwaliteiten. Ten eerste: het vermogen achter de schermen consensus te smeden. Met weinig formele macht moet de voorzitter iedereen aan boord krijgen. De beste voorbereiding is thuis met succes een meerpartijencoalitie te hebben geleid. Terwijl leiders van eenpartijregeringen gewend zijn zelf knopen door te hakken, moeten premiers van meerpartijenregeringen onderhandelen. Een ander vak.

Ten tweede: overtuigen zonder armpjedrukken. Dreigen, erop los beuken of mensen in de hoek zetten werkt niet om – nu nog – 28 presidenten en premiers, allen met vetomacht, op één lijn te krijgen. Het draait om overredingskracht: vertrouwen scheppen, beloftes gestand doen, relaties opbouwen. De voorzitter moet zijn of haar ego opzijzetten en geen eigen doelen najagen; dat wekt wantrouwen. De taak is de vergadering met zachte sturing en goed getimede fermheid tot een besluit te brengen dat 28 hoofdsteden en Brussel bindt.

De derde cruciale eigenschap is politieke oordeelskracht, in termen van voorzichtigheid en vastberadenheid. Het lastigst is te bepalen wannéér de hoogste beslismacht in de EU van stal te halen – en wanneer niet. De voorzitter heeft het recht een top bijeen te roepen: een zwaar middel, maar soms moet het. Wanneer de Europese Raad zich overmatig met dagelijkse EU-besluiten bemoeit, komt er kritiek. Maar wanneer het gezelschap zich afzijdig houdt of verdeeldheid laat etteren in tijden die om actie vragen, begaat het een ergere politieke zonde: onverantwoordelijkheid.

Natuurlijk zijn communicatietalent en diplomatieke flair ook relevant. Maar wat de EU het hardst nodig heeft, is een werkzame collectieve ‘beslismacht in laatste instantie’. Die kan de juiste Raadsvoorzitter haar geven. En alleen deze functie hoeft de Europese Raad niet met andere instellingen te onderhandelen. Dus als leiders zondag de verkeerde kiezen, hebben ze het enkel zichzelf te verwijten.

Luuk van Middelaar, politiek filosoof en historicus, was adviseur van Herman Van Rompuy, eerste voorzitter van de Europese Raad (2010-’14).