Recensie

Recensie Boeken

De levenslessen van de assistent van een kunstfraudeur

    • Ger Groot

María Gainza Een jonge kunsthistorica assisteert een ‘expert’, die uitmunt in kunstfraude. Kun je van een goede vervalsing niet net zoveel plezier hebben als van een origineel?

Mariëtte Lydis: Dame met Afghaan, jaartal onbekend
Mariëtte Lydis: Dame met Afghaan, jaartal onbekend Foto 1stdibs

Wie had er nog maar een paar maanden geleden verrast van opgekeken in een Argentijnse roman te lezen dat ‘de uil van Minerva uitvliegt bij het invallen van de duisternis’? De filosofisch onderlegden hadden er Hegel in herkend, alle anderen hoogstens een bloemrijke beeldspraak. Dat de Argentijnse schrijfster María Gainza (1975) die woorden in de mond legt van een sprookjesachtige oude Rus had die indruk nog eens versterkt.

Maar intussen heeft Thierry Baudet een ronkende speech gehouden en mocht Nederland er wekenlang over bakkeleien hoe dat nou zat met die uil, met Minerva en vooral met de duisternis. Pas aan het eind komt de waarheid aan het licht, of wordt zij werkelijk: dat zou Hegel er ongeveer mee hebben bedoeld.

Bij Gainza ligt het nog wat simpeler. Nu is het moment om onze slag te slaan, lijkt haar Rus te bedoelen. Die slag is een uitvoerige fraude met vervalste kunstwerken en al dan niet authentieke parafernalia van een in vergetelheid geraakte kunstenares.

Rond die kunstfraude weeft Gainza een intrige die aanvankelijk hoge verwachtingen wekt. Al in haar internationaal succesvolle boek Oogzenuw (2018) bewees ze schilderkunst knap te kunnen verenigen met literatuur: het genre van het zien met het genre van het voorstellingsvermogen. Hoe een schilderij zich aan iemand toont is sterk afhankelijk van de blik waarmee hij of zij ernaar kijkt, zo werd in talloze voorbeelden spelenderwijs duidelijk. Van diens verwachtingen, ervaringen, gemoedsrust, verlangens.

Jeroen Bosch

Met vervalsingen is dat misschien nog wel meer het geval. Want ‘kun je van een goede vervalsing niet net zoveel plezier hebben als van een origineel?’, zo laat zo Gainza in Zwart licht de vrouwelijke schilderijentaxateur vragen die in het eerste deel een hoofdrol speelt. ‘Is vals in zekere zin niet waarachtiger dan echt? En is de markt niet het eigenlijke schandaal?’

Dat zijn goede vragen die elke lezer zich ook wel eens zal hebben gesteld wanneer een ‘echte’ Jeroen Bosch plotseling een onechte blijkt – en prompt niet meer in tel is. Of wanneer voor één Van Gogh een prijs betaald wordt waar alle hongerenden ter wereld een half jaar van zouden kunnen eten.

Die levenslessen krijgt de vertelster en ik-figuur van het boek (net als Gainza ‘juffrouw M’ genoemd) als jonge kunsthistorica te verstouwen wanneer ze assistente wordt van meester-taxateur Enriqueta Macedo, die als ‘kunstexpert’ de ene vervalsing na de andere van een echtheidsverklaring voorziet. Vooral de ooit succesvolle Oostenrijks-Argentijnse schilderes Mariette Lydis ziet haar oeuvre zo postuum aanzienlijk uitgebreid worden – als zij (zo stelt de vertelster zich eens voor) bij leven zelf al niet aan de hele vervalsingsoperatie leiding gaf.

Zijn de beschreven schilderijen echt of vals? Als lezer durf je daar steeds minder op te vertrouwen.

Vanaf dat moment gaat het er in Zwart licht om spannen, want Mariette Lydis heeft echt bestaan, zoals ook sommige van haar in dit boek beschreven schilderijen moeiteloos op Google terug te vinden zijn. Echt of vals? Als lezer durf je daar steeds minder op te vertrouwen. En dat wordt nog erger wanneer de vertelster na de dood van haar mentrix Enriqueta Macedo benaderd wordt door de sprookjesachtige Rus, met een koffer vol parafernalia die ooit aan Lydis zouden hebben toebehoord. Niet dat de schilderes dan nog erg in zwang is, maar – zo realiseert ‘juffrouw M’ zich – een kunstenaar met een verhaal verkoopt altijd beter dan een zónder. En dít is het uitgelezen moment voor Minerva’s uil om uit te vliegen.

Zonder scrupules schrijft zij bij de rommel in de koffer een catalogus die leest als een levensverhaal van de vergeten schilderes, en de veiling loopt als een trein. De opbrengst gaat naar een berooide vertaalster die ooit in hetzelfde bohémien-hotel woonde als de schilderes van de vervalsingen – en die op haar beurt honderd procent een reële figuur is met naam en toenaam: Matilde (Horne).

Fröbelen

Zo maakt Gainza in haar boek een collage van echt en vals, zoals ze haar hoofdpersoon met bric-à-brac een biografie-catalogus van Mariette Lydis bij elkaar laat fröbelen. Zelf windt ze daar geen doekjes om: ‘De hele mensheid is één boekwerk, waaruit je met behulp van een schaar en een potje lijm je eigen verslag in elkaar kunt knutselen, wat min of meer is wat ik hier zit te doen.’ We zitten dan nog niet op de helft van het boek – en daarna raakt het verhaal helaas in het ongerede.

Zonder veel aanleiding laat Gainza in de tweede helft Macedo en Lydis voor wat ze zijn, om haar vertelster op zoek te laten gaan naar de vrouw die al die vervalsingen geschilderd zou hebben. De hechte vertelling die Zwart licht tot dan toe was wordt een soort collage, en wat in Oogzenuw goed werkte doet dat veel minder in een (speurders)roman die vraagt om een sterkere vorm.

In dit tweede deel passeren nog de nodige vervalsingszaken, en Gainza weet een mooi beeld te schetsen van het alternatieve leven in het Buenos Aires van voor de junta, maar de stuurloosheid overheerst. En daarmee verliest de roman ook aan filosofische kracht – al ga je tegen het eind nog wel even rechtop zitten bij de cynische constatering van ‘juffrouw M’ dat waarheid niet veel meer is dan ‘gewoon een goed gebracht verhaal’.

Als dát de waarheid is die Gainza in de vlucht van Minerva’s uil aan het licht wil brengen, dan is dat een opmerkelijk postmoderne bekentenis. Thierry Baudet zou er weinig gelukkig mee geweest zijn, maar wie gelijk heeft moet de lezer zelf maar uitmaken. Zo krijgt hij toch nog het mes op de keel gezet door een deels mislukte roman van een schrijfster die niettemin nieuwsgierig blijft maken.