De twee dilemma’s van de minister voor cultuur

Kamerdebat Minister Van Engelshoven wil een eerlijker beloning voor kunstenaars en vernieuwing van het subsidiestelsel. De Tweede Kamer is (nog) niet overtuigd.

Minister Ingrid van Engelshoven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (D66) Foto Bart Maat / ANP
Minister Ingrid van Engelshoven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (D66) Foto Bart Maat / ANP

Is het mogelijk kunstenaars een eerlijke beloning te geven voor hun inspanningen, zonder dat het kabinet daarvoor enkele tientallen miljoenen subsidie uittrekt? En: kan het rijkssubsidiestelsel voor cultuur eigentijdser worden, en nieuwe makers en genres een plek geven, zonder dat andere makers en genres daaronder lijden?

Die twee vragen stonden gisteren centraal in een overleg tussen minister Ingrid van Engelshoven (D66, Cultuur) en de Tweede Kamer over haar twee weken geleden gepresenteerde visie op het rijkssubsidiestelsel. Van Engelshoven sprak van „twee dilemma’s” waar ze mee „had geworsteld”. De aanwezige oppositiepartijen (GroenLinks, SP, PvdA), maar ook coalitiepartij D66 betwistten de standpunten van de minister.

„Een groot deel van de culturele sector voldoet niet aan het uitgangspunt loon naar werk”, aldus de minister. In haar ‘Uitgangspunten Cultuurbeleid 2021-2024’, zoals ze haar visie heeft genoemd, wil ze dat veranderen. Vanaf 2021 worden culturele instellingen bij het aanvragen van hun vierjaarlijkse rijkssubsidie beoordeeld op het toepassen van ‘fair practice’, loon naar werk. Zelf becijferde de sector hiervoor „minimaal 25,6 miljoen euro” nodig te hebben.

Dat geld trekt het kabinet vooralsnog niet uit. Van Engelshoven sprak van „een zaak van lange adem”: instellingen worden bij het aanvragen van subsidie straks beoordeeld op hun uitleg, mocht hun „financiële polsstok niet ver genoeg reiken”.

De Kamer vond dit ontoereikend. PvdA-Kamerlid Lodewijk Asscher herinnerde aan de uitspraak van premier Rutte, die anderhalve week geleden zei dat bedrijven betere cao’s moeten afsluiten voor werknemers. Asscher: „Op déze lonen heeft de premier invloed. Als het kabinet hier geen geld voor uittrekt, zijn het holle woorden van de premier.” D66-Kamerlid Salima Belhaj wilde weten wat er gebeurt als de beloning omhoog moet zonder dat daar extra subsidie voor is: duurdere kaartjes, minder productie of minder werkgelegenheid? Van Engelshoven zegde toe te onderzoeken „hoeveel geld er precies nodig is” voor het invoeren van ‘fair practice’.

Het tweede dilemma van de minister betrof de inrichting van het rijkssubsidiestelsel. In haar ‘Uitgangspunten Cultuurbeleid’ hevelt ze 8,6 miljoen euro over van het Fonds Podiumkunsten naar het subsidiestelsel van het rijk. Anders dan bij de cultuurfondsen, die kortere en meer experimentele subsidies toekennen, worden uit het rijkssubsidiestelsel instellingen gefinancierd die als essentieel worden gezien voor het nationale cultuurlandschap: zo’n negentig musea, dans-, muziek- en theatergezelschappen, festivals, ontwikkelinstellingen en presentatieinstellingen. In het rijkssubsidiestelsel is voor 2021-2024 275 miljoen euro beschikbaar, bij de fondsen gaat het om 180 miljoen.

Van Engelshoven wil dit stelsel moderniseren: „De vraag is: kies je voor behoud of vernieuw je? Ik wil het stelsel bij de tijd houden door nieuwe makers en genres een plek te geven.” Het gaat dan om cultuurvormen als urban arts en ontwerpen, ook komt er meer geld vrij voor festivals.

Vrijwel alle partijen zagen hier spanningen opdoemen, eerder deze week waren ze erop geattendeerd dat het Fonds Podiumkunsten van 8,6 miljoen euro 36 instellingen had kunnen subsidiëren. SP-Kamerlid Peter Kwint: „Vernieuwen en verjongen, dat is vaak klein en tijdelijk. Kan dat samengaan met vierjarige rijkssubsidie?” GroenLinks-Kamerlid Corinne Ellemeet vroeg zich af „wat straks nog het principiële verschil is” tussen subsidie van een fonds of van het rijk, „hoe verhouden die zich dan tot elkaar”.

Het debat gaat volgende week verder. Naar verwachting zullen er dan ook moties worden ingediend voor meer subsidie voor literaire vertalers, het Fotomuseum, kleine musea en de popsector.