Opinie

    • Michel Krielaars

De Nederlandse volksaard bestaat

Michel Krielaars

Op Texel loop ik over de Hors. Het is zinderend warm en uitgestorven. De meeste badgasten liggen bij Paal 9. Niemand leest een boek. Iets verderop tonen vijf nudisten hun geschroeide lijf. En daarna begint de woestijn. Op die verlaten zandvlakte denk ik aan Pieter Kikkert, die in 1791 als eerste wandelaar over zijn voettocht op Texel schreef, van Den Burg naar Eierland. Hij was er als 15-jarige heengegaan, omdat een oom er het ambt vervulde van kastelein, oftewel van beheerder van lokale roerende en onroerende goederen, die ook zorg droeg voor de opvang van schipbreukelingen. Die baan garandeerde vorstelijke inkomsten, onder meer uit het alleenrecht op eierrapen.

Eierland, waar tegenwoordig de vuurtoren staat, was in 1791 een schiereilandje, dat door een landtong met Texel werd verbonden. Om er te komen was je als wandelaar twee uur onderweg. Voor iemand als Kikkert was dat een aanbeveling. Niets vond hij heerlijker dan lezen in de openlucht. In zijn jaszak stak de poëzie van Ossian, een Keltische bard uit de derde eeuw, die nooit had bestaan, maar eind 18de eeuw een hype was.

Over Kikkert schreef Lodewijk Dros Eiland in de nevel. Romantische omzwervingen van Pieter Kikkert, de eerste wandelaar op Texel in 1791. Het is een heerlijk boek, waarin en passant de mentaliteitsgeschiedenis van de deftige burgerij in het 18de-eeuwse en begin 19de-eeuwse Nederland wordt verteld. Dat die mentaliteit niet zoveel verschilt van het heden, zal menigeen verbazen. In Nederland staat de tijd op een bepaalde manier blijkbaar stil.

De in 1775 in Leiden geboren Kikkert, wiens ouders van Texel kwamen, was een romanticus. Zoals zoveel leden van zijn conservatieve stand had hij moeite met de moderne tijd, waarin alles steeds sneller ging (de diligence, die wel 15 kilometer per uur rijdt!) en gasverlichting de kaarsvlam leek te verdringen. Waar moet dat heen, lijkt hij te denken, de mens ‘moet altoos voorwaards, al is het dan over die top heen, weder naar den afgrond, terug in de barbaarschheid’.

Bij die romantiek hoort de aanbidding van de natuur, waar je ‘een zagtmoedig, teder en tevens krachtvol en levendig gevoel voor al het Schone en goede’ kunt opdoen. Ook in dat verlangen herkent Dros een duidelijke parallel met het heden, waarin de natuur weer als een bevrijding van het hectische leven in de grote stad wordt ervaren.

Een interessante passant in het boek van Dros is de botanicus F.W. van Eeden, de vader van Frederik, die in 1867 de tot dan toe heersende vooroordelen jegens de onbeschaafde eilanders en eilanden prompt terzijde schoof. Op Texel had hij ineens het 'ware volkskarakter’ ontdekt, dat elders was ‘ontaard’. Neêrlands identiteit, aard en beginselen (‘nationaliteit’) waren er nog niet te gronde gericht door ‘vreemde elementen’. Als rechtgeaarde reactionair hoopte Van Eeden sr. dat heel Nederland een voorbeeld zou nemen aan de Texelaars en zou terugkeren ‘tot de onbedorven opvattingen onzer verre voorvaderen.’ Nu het debat over de natiestaat opnieuw gevoerd wordt, klinken zulke ‘wijsheden’ over de Waddenbewoners je bekend in de oren.

Maar het vermakelijkst aan Dros’ boek is toch hoe opportunistisch Kikkerts familieleden waren. Alles draait bij hen om lucratieve baantjes. Je zou bijna gaan denken dat de Nederlandse volksaard echt bestaat.