Recensie

Recensie Boeken

Hoe de Schiedamse cocaïnemaffia te werk gaat

Drugshandel De handel in cocaïne is sterk geprofessionaliseerd. De politie moet met het verbod op cocaïne een norm handhaven waar de samenleving niet in gelooft, schrijft NRC-misdaadjournalist Jan Meeus.

    • René Appel

Op 1 januari 2014 wordt ene Rob Zweekhorst doodgeschoten terwijl hij zijn hond uitlaat. Het is een vergismoord; de kogels waren bedoeld voor de vermoedelijke drugshandelaar Dennis van der Berg, die in dezelfde buurt in Berkel en Rodenrijs woont en daar ook regelmatig zijn hond uitlaat. Op 14 april 2014 treft Rinus Moerer, organisator van cocaïnetransporten en goede bekende van Van der Berg, hetzelfde lot.

Het is duidelijk dat onderlinge ruzies tussen smokkelaars van en handelaars in cocaïne ernstig uit de hand zijn gelopen. Uit het politie-onderzoek komt nog een ander saillant feit naar voren: de smokkelpraktijken in de Rotterdamse haven werden vooral mogelijk gemaakt door een corrupte douanier, die kon besluiten welke ingevoerde containers met tropisch fruit uit Zuid-Amerika wél of niet op de aanwezigheid van drugs moesten worden gecontroleerd.

Luister ook de podcast met Jan Meeus: Nederland heeft een drugsprobleem

Schiedam wordt traditioneel geassocieerd met jenever, maar na lezing van het boek van Jan Meeus over de lokale cocaïnemaffia ben je geneigd de plaatsnaam in verband te brengen met andere genotsmiddelen. Meeus laat, als goed ingevoerde misdaadverslaggever, gedetailleerd zien hoe dat losse netwerk van smokkelaars en handelaars in het witte poeder te werk gaat, welke enorme bedragen ze eraan verdienen, en wat de politie probeert te doen.

300.000 euro contant

De transacties zijn af en toe zo gecompliceerd dat de niet-deskundige lezer de draad kan kwijtraken, maar gelukkig bevat het boek voorin een beschrijving van de verschillende personages, om goed zicht te houden op dit verbijsterende verhaal van verraad, corruptie, geweld en vooral torenhoge winsten.

Meeus schrijft sober en helder en daarom weet hij te overtuigen. Om het boek toch een beetje smeuïg te maken, vertelt hij het hele verhaal vanuit verschillende hoofdpersonen, met ook aandacht voor subjectieve elementen.

Zo begint bijvoorbeeld het hoofdstuk over André van der Haar: ‘Het is een goede dag om te vissen, vindt André van der Haar. Niet te warm, geen regen.’ Af en toe voegt hij kleurrijke details toe, zoals over de resultaten van een huiszoeking: ‘In de inloopkast van Angelique heeft de politie naast de wasmachine een tas van Marlies Dekkers gevonden met daarin ruim 300.000 euro contant geld.’

Uitgaan? Lijntje coke. In Amsterdam lijkt het de gewoonste zaak van de wereld. Lees ook: ‘Cocaïne – iedereen heeft het altijd’

Om de spanning erin te houden, gebruikt Meeus soms ook het gereedschap van de thrillerauteur. Zo eindigen enkele hoofdstukken met een echte cliffhanger: ‘Die avond brengt alleen niet wat René Franken ervan verwacht.’ Maar wat brengt die avond dan wel? Verder lezen, alstublieft, dan zal het duidelijk worden.

Hardhandige maatregelen

Meeus’ boek bevat interessante conclusies over de drugshandel. Hij wijst op de toenemende professionalisering van deze ‘bedrijfstak’, want dat is het geworden, een bedrijfstak. Het gaat om ‘onderwereldondernemers’ schrijft Meeus. ‘Ze zien zichzelf ook niet als criminelen, maar als handelaren die een markt bedienen.’ Daarbij zitten ze regelmatig in elkaars vaarwater en dan moeten er hardhandige maatregelen worden genomen. Jammer, maar helaas, dat hoort nu eenmaal bij de business.

Het onderzoek naar deze Schiedamse cocaïnemaffia leert nog iets anders volgens Meeus. Het Openbaar Ministerie en de recherche kunnen het werk niet meer aan. ‘Er zijn zoveel criminelen bezig met de smokkel van drugs dat de prioriteit ligt bij corruptie, geweld en witwassen, strafbare feiten die veelal voorkomen uit de drugssmokkel.’ Dat roept vragen op over wat de kern is van het drugsprobleem. ‘Het Openbaar Ministerie en de recherche moeten door het verbod op en de handel in cocaïne een norm handhaven waar een groot deel van de samenleving niet meer in gelooft.’ Meeus stelt in feite dat de huidige aanpak gedoemd is om te mislukken, en met zijn boek onderbouwt hij die stelling op een geloofwaardige manier.

Terzijde: op pagina 124 schrijft Meeus over een geslaagd drugstransport vanuit Panama. De Schiedamse smokkelaars Henk en Marco zijn tevreden, immers: ‘Iedereen blij: de Amsterdammer Appel en de Panamezen.’ Die Amsterdammer Appel is in ieder geval niet deze, eveneens in de hoofdstad wonende recensent.