Betty Stöve eindigde Wimbledon in 1977 op de tweede plaats.

Foto ANP

Betty Stöve: ‘Ik wil als supersportvrouw herinnerd worden’

Interview | Betty Stöve, oud-tennisster Haar optreden in de finale van Wimbledon, in 1977, staat gegrift in het collectieve geheugen. Sindsdien leeft Betty Stöve in de luwte. „Journalisten zijn op zoek naar een primeur die er niet is.”

Het is het eerste wat ze zegt bij binnenkomst: „Eigenlijk doe ik geen interviews. De Wereld Draait Door, Pauw, M: ik houd het allemaal af. Alleen op Wimbledon – waar ik sinds 1963 elk jaar kom – sta ik kort verslaggevers te woord. Maar goed, u was nogal, eh, persistent. Dan maar op de golfbaan, dacht ik.”

We zitten in de directiekamer van golfclub Kleiburg in Brielle. Betty Stöve doet mee aan een goededoelentoernooi. Ze had bedacht dat het voor meerdere partijen interessant zou zijn om hier af te spreken. De verslaggever hoeft dan niet naar Wimbledon af te reizen en het toernooi – Golf4Health – wordt genoemd in de krant. Zoals vaker in haar leven heeft Stöve, Nederlands succesrijkste tennisster, de teugels stevig in handen.

Waarom geeft u zo weinig interviews?

„De talkshows die me rond Wimbledon uitnodigen bieden niet mijn soort vertier. Het is voor de massa. Bij hoge uitzondering heb ik vorig jaar meegewerkt aan een uitzending van Andere Tijden Sport. Als ik dood ben, dacht ik, halen ze toch van alles naar boven.”

Dan staan die beelden vast klaar?

„Precies.”

Vindt u het overdreven, al die aandacht voor uw persoon?

„Geen Nederlander heeft zo veel grandslamfinales gespeeld als ik. Ik ben mede-oprichter van de WTA, de belangenorganisatie voor het vrouwentennis. Ik heb topspeelsters als Hana Mandlíková, Kristie Boogert en Jana Novotna gecoacht. Dat maakt mij exclusiever dan een ander. Maar dat betekent niet dat mensen in mijn privéleven mogen gaan wroeten.”

Want dat gebeurt?

Ze knikt.

Er is weinig over uw privéleven bekend. Misschien wakkert dat de nieuwsgierigheid aan.

„Er is weinig te vertellen. Ik ben gepensioneerd en geniet van het leven. Ik woon – alléén – in België. Ik eet drie keer per dag. Ik golf een paar keer per week. En ik kijk veel sport op tv. Zo weet ik bijvoorbeeld dat Australië een 2-0 achterstand tegen Brazilië wist om te buigen in een 3-2 overwinning op het WK voetbal voor vrouwen. En dat Max Verstappen vaak op een derde, vierde of vijfde plek blijft steken omdat zijn moteur op de lange stukken niet sneller kan.”

Ze slaat haar armen over elkaar en kijkt – lichtelijk geamuseerd – toe vanaf de andere kant van de tafel.

Nog even terug naar die journalisten. Valt het u ook op dat uw relationele status hen erg bezighoudt?

„Ze zijn op zoek naar een primeur die er niet is. Ze proberen me in een vakje te stoppen.”

Welk vakje?

„Het relatievakje. Heb ik een relatie? En zo ja: is het een man of een vrouw? Als ik niet antwoord, maken ze er zelf wat van.” Later zegt ze dat het proftennis zich moeilijk liet combineren met een relatie. Daardoor is ze in de loop der jaren steeds meer einzelgänger geworden. „Maar als de vonk er was, was-ie er echt. Zo moest ik ooit beslissen of ik voor een man naar Amerika zou verhuizen. Hij tenniste en woonde daar. In the end dacht ik: ik ben toch te Europees.”

Betty Stöve (74) werd geboren in een gezin met twee kinderen in Rotterdam. Haar ouders hadden een damesmodezaak in Blijdorp. „In hun vrije tijd waren ze vaak op IWOO te vinden, een kleine tennisvereniging in de wijk Hillegersberg. „Mijn oudere zus en ik wilden al jong tennissen, maar je mocht pas lid worden als je twaalf was. Ik ben dus eerst een tijd ballenmeisje geweest.”

Stöve had het geluk dat een aantal Davis Cup-spelers lid was van de club. „Ze trainden daar vaak”, zegt ze. „Zo kon ik het spel een beetje afkijken.”

Toen ze eenmaal lid was werd haar talent niet meteen opgemerkt. Haar zus werd geselecteerd voor de districtstraining, zij niet. Het was een momentopname, zegt ze, want een jaar later speelde ze kampioenschappen en groeide ze langzaam in de competitie.

Op haar twintigste ging Stöve met twee andere speelsters op een vrachtschip naar de VS om drie maanden toernooien te spelen. De reis duurde tien dagen, ze waren de enige vrouwen aan boord. „In Florida zijn we van boord gestapt. Ik weet nog dat de kapitein een Nederlandse vlag naar ons gooide. ‘Jullie vertegenwoordigen Nederland, doe je best’, riep hij. Een mooi moment.”

Vijf jaar later zou Stöve haar eerste van 28 grandslamfinales spelen, op Roland Garros, met dubbelpartner Billie Jean King. Als lange, niet superatletische vrouw ging het dubbelspel haar makkelijker af dan het enkelspel, zegt ze. Van de 28 grandslamfinales speelde ze er één zonder partner: op Wimbledon, tegen Virginia Wade, in 1977. Dat – verloren – duel leverde haar meer publiciteit op dan de 27 dubbelfinales bij elkaar.

U heeft ooit gezegd dat het u stoort dat Tom Okker meer aandacht krijgt dan u, terwijl hij minder bereikt heeft in de tennissport.

„Dat was in de jaren zeventig. Toen kregen mannen meer aandacht dan vrouwen.”

Nu is dat anders?

„Het is redelijk in evenwicht, ja.”

Mannen kregen ook meer prijzengeld in die tijd. Daarom kwam u met topspeelsters als Billie Jean King, Rosie Casals en Françoise Dürr in opstand.

„We waren een beetje rebels, ja. Ik weet nog dat we bij een toernooi in Los Angeles onze rackets neerlegden om gelijke betaling af te dwingen. Het publiek zat klaar voor de wedstrijd, een perfect moment om aandacht te vragen voor onze zaak.”

Toen Billie Jean King de US Open in 1973 dreigde te boycotten, stelde dat grandslamtoernooi als eerste equal prize money in. In datzelfde jaar richtten King en Stöve de WTA op. King werd voorzitter, Stöve penningmeester.

King zei in Andere Tijden Sport: ‘Als ik zie dat een speelster een flinke cheque en erkenning krijgt, weet ik dat dat zonder onze generatie nooit was gebeurd.’

„Dat voel ik ook zo. En weet je, het gaat niet alleen om geld. Als verliezend finalist op Wimbledon kreeg ik een kleine zilveren medaille. Op de US Open een klein balletje. Toen hebben wij bij de WTA gezegd: geef ons ook gewoon een cup.”

Zouden speelsters van nu beseffen hoeveel strijd jullie hebben geleverd?

„Nee. Ik heb gehoord dat ze een opleiding krijgen waarin hun historisch besef wordt bijgebracht, maar of het echt doordringt … Ik betwijfel het. Tegenwoordig wordt alles voor tennissers gedaan, ze hoeven alleen van A naar B te reizen en te winnen. In mijn tijd moest je alles zelf regelen. Ik had geen coach, fysiotherapeut of agent. Hotelkamers en tickets moest ik zelf reserveren. Ik waste mijn outfit op de hand.”

Vindt u de huidige generatie zelfzuchtig?

„Ja.”

Betty Stöve (links) naast Virginia Wade, in 1977 winnares van Wimbledon.
Betty Stöve in gesprek met Queen Elisabeth.
Foto ANP
Foto’s ANP

Virginia Wade noemde de speelsters van nu robots. Het ontbreekt volgens haar aan echte persoonlijkheden.

„Virginia Wade is zélf nogal zelfzuchtig, maar goed, op dit punt ben ik het met haar eens. Speelsters hebben weinig te melden omdat ze weinig te bevechten hebben.”

Voor Kiki Bertens – die Stöve onlangs als hoogst genoteerde Nederlander voorbijstreefde met haar vierde plek op de mondiale ranglijst – heeft zij overigens niets dan lof. Stöve noemt Bertens „een heerlijke meid”, die „veel heeft bijgeleerd” de afgelopen jaren.

Bertens haalde vorig jaar de kwartfinale op Wimbledon. Geeft u haar wel eens adviezen?

„Alleen als ze het zou vragen. Ik wil mezelf niet opdringen en Raemon [Sluiter] is een goede coach. Maar we mailen wel, hoor.”

Wat verwacht u van haar op Wimbledon?

„Op gras kan van alles gebeuren, je moet verrekte handig zijn. En zeven wedstrijden drie sets volhouden is niet niks. Als vrouw ben je lang niet altijd veertien dagen in topconditie.”

Stöve vertelt dat zij eind jaren zestig door een fysiek zware periode ging. Zij liep een infectieziekte op – vermoedelijk na het eten van bedorven schapenvlees in Australië – en kreeg ook last van een schildklieraandoening. Ze lag vier maanden in het ziekenhuis en werkte daarna twee jaar bij haar ouders in de winkel. In die tijd haalde ze haar middenstandsdiploma, voor het geval ze nooit meer zou kunnen tennissen.

Hoe kijkt u terug op die periode?

„Het ziekenhuis vond ik niet zo erg. Ik was heel moe en vond het heerlijk om verzorgd te worden na al dat reizen. Maar dat werken in de winkel ging mij steeds meer tegenstaan. Ik ben een doe-mens. Zodra ik weer mocht tennissen van de dokter, heb ik mijn racket opgepakt.”

John le Noble, een bekende tennisverslaggever uit die tijd, schreef: ‘Sinds ze door een langdurige ziekte de betrekkelijkheid van alle dingen heeft leren inzien, is Betty Stöve veranderd. Ze heeft in wedstrijdverband veel meer allure gekregen en haar optreden is gedecideerder en zelfverzekerder geworden’.

„Mijn arts hielp mij relativeren. ‘Dan verlies je toch een toernooi’, zei hij. ‘Volgende week is er weer één.’ Ik ben me door die ziekteperiode gaan realiseren dat het leven kort is. Ken je dat tv-programma waarin mensen geld inzamelen voor een medische behandeling? Je geld of mijn leven. Laatst was er een man die niet kon staan. Hij wilde zijn zoon in de ogen kunnen kijken. Dat doet me echt wat. Als je een ander gelukkig kan maken, waarom zou je het dan niet doen?”

Uw bijnaam is ‘blunt Betty’, maar eigenlijk bent u heel empatisch.

Ze glimlacht. „Ik ben heel gevoelig. Het kost mij geen energie om een ander gelukkig te maken.”

Kunt u zich voorstellen dat er een moment komt dat u zelf hulpbehoevend bent?

„Daar zie ik tegenop.”

Waarom?

„Mijn moeder, die ik in de jaren voor haar dood verzorgd heb, zat in een rolstoel. Daardoor weet ik hoe het leven kan eindigen. Ik heb een huis zonder drempels, want ik moet en zal door die deur.”

Hoe wilt u later herinnerd worden?

„Als een supersportvrouw die alleen veel bereikt heeft. Zonder…”

…hulp van anderen?

„Precies, zo is het toch?”

Maar eerst naar Wimbledon, voor de 57ste keer.

Ze veert op. „Ik ga bijpraten met tennisvrienden, onder het genot van strawberries, cream and champagne. En dan weer naar huis, even alleen.”

Betty Stöve op Wimbledon.Foto ANP