Vluchters uit het peloton profiteren van motoren

Wielrennen Uit onderzoek blijkt dat renners voordeel hebben als ze achter een motor fietsen. Hun tijdwinst loopt op tot seconden per kilometer.

Voor het eerst is onderzoek gedaan naar de effecten van wielrennen achter een motor.
Voor het eerst is onderzoek gedaan naar de effecten van wielrennen achter een motor. Foto Tim de Waele/Getty Images

Twee seconden scheelde het of Wilco Kelderman had op het podium gestaan in Coria del Rio na een tijdrit in de Ruta del Sol. Bauke Mollema – toen nog ploeggenoot – haalt het moment uit 2015 zo voor de geest als hij denkt aan de keren dat een koersuitslag beïnvloed werd door een motor.

Nu stond daar de Spanjaard Javier Moreno die, zo zagen ze later op foto’s, wel heel dicht achter een motor had gereden. „Zo’n vijf meter. Dat hoef je maar even te doen om die twee seconden te winnen”, vertelt Mollema vanuit de Franse Alpen waar hij zich met Trek-Segafredo voorbereidt op de Tour de France.

Wie achter een auto, motor of zelfs andere wielrenner fietst, heeft het minder zwaar. Dat was wel bekend. Maar nog nooit werd onderzocht hoeveel voordeel dat daadwerkelijk oplevert. Tot nu.

In een kantoor op de campus van de Technische Universiteit Eindhoven, met uitzicht op een windtunnel, legt hoogleraar Bert Blocken de verschillende scenario’s uit. Blocken: „Dát er effect zou zijn, wisten we al. Maar dat het zo hoog zou zijn, had ik niet verwacht.”

Eerder onderzochten ze al het effect van een motor die achter een wielrenner rijdt. Hoewel er dan ook een voordelig effect voor de wielrenner ervoor is, het duweffect, is dat aanzienlijk minder groot dan wat het huidige onderzoek laat zien. Uit zowel metingen in de windtunnel als met een computersimulatie kwamen dezelfde resultaten: in reële wedstrijdsituaties, zoals 30 meter achter een motor rijden, zijn volle secondes te winnen.

Minder weerstand

Bij die afstand achter een motor kan er 2,6 seconden per kilometer gewonnen worden. 10 meter achter de motor kan tot 5,4 seconden per kilometer opleveren en 2,5 meter bijna 13 seconden. Zelfs bij 50 meter is er nog minder weerstand te meten. Ter vergelijking: Geraint Thomas won de Tour de France vorig jaar met een verschil van 1.51 minuut op Tom Dumoulin, en Richard Carapaz de Giro d’Italia begin deze maand met 1.05 minuut op nummer twee Vincenzo Nibali.

Sinds 2017 beschikt de TU Eindhoven over een eigen windtunnel. Het is niet voor niets dat Team Jumbo-Visma, Groupama-FDJ en de Amerikaanse wielerbond met hen samenwerken. Renners als Tony Martin en Primoz Roglic zijn regelmatig in Eindhoven te vinden voor tests en de ploegen wisselen gegevens uit.

In het moderne wielrennen wordt naar de kleinste details gekeken. Winst of verlies komt aan op seconden. „Hallucinant”, noemt Blocken de uitkomsten van zijn onderzoek.

Mollema, die zich tijdens de Giro behoorlijk opwond op Twitter over de motoren in de koers, is niet verbaasd over de effecten. Zonder nog van de onderzoeksresultaten te hebben gehoord noemt hij het verschil van achter een motor rijden „op het vlakke bij 30 meter zeker voelbaar”. Een groot probleem in het wielrennen, vindt hij, dat motoren de koers beïnvloeden. Maar het gebeurt overal, ook in andere rondes en landen.

Giro d’Italia

Vanuit het peloton in de Giro zag hij hoe veelal televisiemotoren de hele tijd vlak voor renners reden. Soms meerdere motoren. Hij liet zich een paar keer uit het peloton zakken om bij de auto van de wedstrijdjury verhaal te halen. „Ze zeggen dan: we weten het wel, maar we kunnen er ook niks aan doen.”

Een dag later werd een televisiemotor van de Italiaanse publieke omroep RAI teruggefloten. Vooral de groep waar Nibali in reed, leek geprofiteerd te hebben. De motor mocht niet meer vooraan rijden, maar alleen achter het peloton. „Maar de motor die daarvoor in de plaats kwam, deed eigenlijk precies hetzelfde”, vertelt Mollema.

Behalve het aerodynamische voordeel is er ook nog een mentaal voordeel, legt Mollema uit. „Als je 30 of zelfs 40 meter voor je een motor hebt rijden, heb je een richtpunt om op te focussen. Zeker in een tijdrit kom je nog wel eens in de buurt van 10 meter als de motorrijder in slaap sukkelt. Dan probeer je er naartoe te rijden, dat geeft dubbel voordeel.”

Visualisatie van de TU Eindhoven:

Renners herkennen het effect uit trainingen. Om snelheid na te bootsen wordt achter brommers of auto’s gereden. „Dan rijd je heel makkelijk 50 kilometer per uur. Daar moet je in eentje bijna twee keer zo hard trappen”, vertelt Mollema.

Ook Blocken zag in de Giro opvallend veel momenten waar renners konden profiteren van een motor.

Regelgeving is er wel degelijk. In 2017 publiceerde de internationale wielerbond UCI nieuwe richtlijnen waar motorrijders zich aan moeten houden. Bij een ontsnapping uit het peloton mag één ‘informatiemotor’ bij een verschil van 15 seconden tussen die groep en het peloton gaan rijden. Als de voorsprong groeit naar 30 seconden mogen meerdere voertuigen, waaronder de cameramotor en motor met fotograaf, ook in het gat. Het probleem: wáár die motoren dan moeten rijden is niet bepaald.

Aanbeveling

Met een brief werd de UCI geïnformeerd over het onderzoek en de resultaten. Daarin staat de aanbeveling om in ieder geval een minimale afstand van enkele meters in te voeren. Ook Mollema en wielervakbond CPA zijn hier voorstander van.

Echte oplossingen zijn zo makkelijk nog niet, vertelt Laura Mora van CPA. „We krijgen enorm veel berichten en foto’s van renners die zich storen aan deze oneerlijke component. Die hebben we doorgestuurd naar de UCI en we hopen daarmee het gesprek over een minimale afstand te kunnen openen.”

Het probleem is niet per se groter geworden, maar de aandacht ervoor wel, stelt Mora. Tot er echte regels zijn is er iemand van de CPA aanwezig bij grote rondes om met motorrijders te praten en bewustwording te vergroten. Mora: „Maar zonder regels en sancties als die overtreden worden, gaat het nooit opgelost worden.”

De windtunnel bij de TU Eindhoven waar onderzoek gedaan wordt naar aerodynamica. Foto TU Eindhoven