Opinie

    • Ellen Deckwitz

Schiet

Ellen Deckwitz

Eens in de zoveel tijd beginnen mijn zus en ik aan iets waarvoor we bij ons weten geen enkele aanleg hebben, om ons te oefenen in tekortschieten. Zo hebben we ons het afgelopen jaar met gammel gevolg gestort op introductielessen lacrosse, zeefdrukken en alpineren. Vrijdag hadden we onze eerste schietles en zo stonden wij tussen allemaal opgefokte achttienjarigen die te veel John Wick hadden gekeken. De instructeur gaf wat aanwijzingen en wij kregen een vuurwapen in de handen gelegd met het verzoek niemand ermee te raken. Na de eerste knalronde werden de schietkaarten opgehaald en bleek dat de tien kogels van mijn zus allemaal in de roos zaten. Ze probeerde dat nog te gooien op toeval, maar ook met geweer en revolver trof ze moeiteloos doel.

„Weet je zeker dat je dit niet eerder hebt gedaan”, zei de instructeur een beetje chagrijnig. „Beginners moeten ook een kans krijgen.”

Terug in de auto belde ze meteen onze ouders om wat lofzang te innen. Zodat ik alles wel mee zou krijgen, had ze haar telefoon op de speakers gezet.

„Oh, maar dat knaltalent verbaast me niets”, zei onze moeder. „Je opa en overgrootvader waren beiden scherpschutters.”

,,En ik won in mijn diensttijd jaarlijks alle schietwedstrijden”, zei onze vader, wat me enigszins verbaasde want die man heeft een oog-handcoördinatie waarbij hij telkens als hij zijn jas aantrekt zichzelf onbedoeld in het gezicht stompt.

Mijn zus straalde tot ze bij thuiskomst een blauwe envelop op de deurmat vond – belastingen vindt ze doodeng, ik maak al jaren haar post open – en alleen al de aanblik van de brief zorgde voor tranen en trillen. Ik nam het poststuk snel door, belde haar accountant en vervolgens de Belastingdienst, en uiteindelijk bleek de aanslag gewoon vals alarm (niet voor niets begint Belastingdienst met dezelfde vier letters als belachelijk). Al na een paar uur wist mijn zus zichzelf wat te hervinden en tegen de avond kon ze zichzelf weer een beetje feliciteren met haar vers ontdekte schietvaardigheid.

„Heej”, zei ze na haar derde glas sojamelk, „ik bedenk opeens dat de dingen waar ik van nature aanleg voor heb, zoals keihard wegrennen, schieten en dreunen uitdelen, allemaal superskills zijn om te overleven in tijden van nood. Ik ben eigenlijk gebouwd voor een leven in strijd. Wat zonde eigenlijk, dat het nou geen oorlog is. Dan deed ik er nog iets nuttigs mee.”

Ik dacht aan hoe ze een paar uur terug nog krijsend onder de bank lag vanwege een poststuk.

„Ik ben een overlever”, zei ze met een schuin oog op de belastingenvelop. „Jammer dat ik er zo weinig mee doe.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.