Langzaamaan viert Nederland nu Keti Koti

Postkoloniaal Nederland Maandag wordt de afschaffing van de slavernij herdacht, 156 jaar na dato. Nederland mist een breed gedragen herinneringscultuur, zeggen kenners.

Op 1 juli 1963 vieren Surinamers in Amsterdam de afschaffing van de slavernij, precies honderd jaar eerder.
Op 1 juli 1963 vieren Surinamers in Amsterdam de afschaffing van de slavernij, precies honderd jaar eerder. Foto Collectie IISG

Op 3 oktober 1862 heeft de Nederlandse gouverneur Reinhart van Lansberge in Paramaribo, een belangrijke boodschap ‘aan de Slavenbevolking in de Kolonie Suriname’. ‘Het heeft Zijne Majesteit Onzen geëerbiedigden Koning behaagd den dag te bepalen, waarop de slavernij in de kolonie Suriname voor altijd afgeschaft zal zijn. Op den 1n Julij 1863 zijt Gij vrij!’ Met deze proclamatie kwam formeel een einde aan honderden jaren slavernij.

De proclamatie van de afschaffing van de slavernij.

Maandag wordt het slavernijverleden op elf plekken in Nederland herdacht. Amsterdam maakte bekend excuses te willen maken. Maar tot de Surinaamse onafhankelijkheid was voor dit verleden amper aandacht. Alleen een clubje Surinamers vierde in 1963 honderd jaar afschaffing van de slavernij in Amsterdam, met spandoeken waarop teksten stonden als ‘Ketie Kotie fri moe de’ (verbroken ketenen, vrijheid moet er zijn.)

Die groep, met een voorhoede van vijftien man, was te klein om op grote schaal aandacht te krijgen, zegt directeur van het Nationaal Instituut Nederland slavernijverleden en erfenis (NiNsee) Urwin Vyent. Bovendien waren politici in Den Haag vlak voor de Surinaamse onafhankelijkheid bang dat aandacht voor het verleden zou zorgen voor een veeleisender Suriname.

Lees ook ‘Wat helpen excuses mij? De erfenis en de pijn blijven’

Dat veranderde toen rond 1975 veertigduizend Surinamers naar Nederland kwamen. De roep om aandacht werd luider maar er was ook kritiek. „Een deel van de Nederlandse elite vond dat koloniale onderdanen dankbaar moesten zijn voor wat Nederland voor ze had gedaan”, zegt koloniaal historicus Karwan Fatah-Black. Hij is verbonden aan de Universiteit Leiden en promoveerde op een proefschrift over Paramaribo als knooppunt van de trans-Atlantische slavenhandel. Dat idee is nooit echt verdwenen, signaleert Fatah-Black: „Als mensen het slavernijverleden willen bespreken, is er altijd een agressieve, afwerende reactie geweest.”

Er is een meerderheid die niets met het slavernijverleden heeft. Sterker: die met tegenargumenten komt als: ‘Het gaat toch niet over mij’

Cultuurhistoricus Nancy Jouwe.

Tientallen Afro-Surinamers verenigden zich in organisaties als Stichting Keti Koti. In 1993 kwam er een jaarlijkse herdenking op het Surinameplein, vijf jaar later vroeg de Afro-Europese Vrouwenbeweging Sophiedela met de petitie ‘Sporen van Slavernij’ om een nationaal monument. Dat kwam er in 2002 in het Oosterpark in Amsterdam. Daarna onthulden meerdere steden een monument. Volksvertegenwoordigers betuigden spijt en slavernij kwam in de canon van de Nederlandse geschiedenis. Het kabinet maakte bekend dat het 1 miljoen euro per jaar beschikbaar stelt voor een ‘nationale voorziening’ en de NOS zendt de Amsterdamse herdenking live uit.

Het gaat toch niet over mijn familie?

Toch mist Nancy Jouwe, cultuurhistoricus en medesamensteller van de wetenschappelijk onderbouwde Gids Nederlands Slavernijverleden, een breed gedragen herinneringscultuur. Wanneer ze zegt dat zij zich bezighoudt met het slavernijverleden krijgt ze nog te vaak de reactie: ‘Is dat dan een onderwerp?’ „Dat zou men over 4/5 mei nooit zeggen”, denkt ze. „Er is een meerderheid die niets met het slavernijverleden heeft. Sterker: die met tegenargumenten komt. Zoals: ‘Het gaat toch niet over mij of mijn familie’, ‘Toen was het normaal’ of: ‘Kijk hoe Arabieren bezig zijn met slavernij.’”

Vyent betreurt de afwezigheid van premier Rutte bij de herdenking. „Daarmee wordt wellicht onbedoeld het signaal afgegeven dat hij de herdenking niet ziet als deel van een nationale agenda. Terwijl het slavernijverleden een belangrijk onderdeel is van hoe Nederland er nu uitziet.”

Lees ook: Is het lesmateriaal over de slavernij te oppervlakkig?

Cultuurhistoricus Jouwe hekelt het onderwijs. Dat was gebrekkig. „De koloniale en Nederlandse geschiedenis werden te weinig met elkaar verbonden.” Slavernij gebeurde niet hier en ook speelt mee dat bronnen ontbreken waarin slaven in Nederlandse kolonies hun leven beschrijven. Bovendien is ras, zegt Jouwe, „een belangrijk element. Als we zeggen: ras doet er niet toe in Nederland, wij zijn geen racisten, en dus hoeven we het er niet over te hebben, dan mis je een laag van de analyse.” Allemaal punten waardoor de gemiddelde Nederlander in de ogen van Jouwe weinig empathie heeft voor het slavernijverleden. „We voelen niet dat we er als natie bij stil moeten staan. Dáár moet aan gewerkt worden.”

Er verschuift wel iets, merken de deskundigen. De aanwezigheid van de koning en koningin bij de herdenking in 2013; een NPO-serie; een nieuwe generatie kritische academici zoals Karwan Fatah-Black en Pepijn Brandon, die woensdag onderzoek publiceerde naar het belang van de slavernij voor de economie.

De Amsterdamse excuses vindt Jouwe betekenisvol. „Daarmee zeg je: dit gaat over ons en wij hebben iets niet goed gedaan. Het is een stap weg van white innocence.” Bovendien leeft Keti Koti niet meer alleen onder Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders, zegt socioloog en onderzoeker Aspha Bijnaar. „Witte initiatiefnemers benaderden mij voor de Keti Koti-viering in Breda.” Ook Rotterdam, Tilburg, Utrecht, Almere, Hoofddorp, Groningen, Den Haag en Drachten houden herdenkingen. Het slavernijverleden is zichtbaarder geworden, zegt Fatah-Black, via monumenten, herdenkingsplekken en wandelgidsen.

Lees ook dit interview met Pepijn Brandon: Door slavernij bleef Holland een handelsnatie van belang

Bijnaar spreekt van een ‘indrukwekkende progressie’ en volgens Fatah-Black zijn het signalen dat het slavernijverleden voorzichtig onderdeel wordt van de nationale identiteit. Daarin voorziet hij een grote rol voor kunst en cultuur. „Musea en theaters zijn ermee bezig. Zo groeien we langzaam toe naar een manier om dit onderdeel te maken van de Nederlandse geschiedenis en om de nazaten deel te maken van wie wij als Nederlander zien.”

Bijna 157 jaar na de proclamatie van de afschaffing is het tijd voor een nieuw politiek gebaar. Vyent zou Keti Koti als nationale dag een ‘fantastisch signaal’ vinden. „Dan zouden mensen beter beseffen waarom die dag er is”, zegt Bijnaar. Burgemeesters Aboutaleb (Rotterdam) en Hamming (Zaanstad) riepen in 2018 op tot officiële excuses. Excuses zouden de verwerking van het verleden vergemakkelijken, zegt Vyent, omdat Nederland daarmee officieel erkent dat slavernij niet goed was. Dat beaamt Jouwe maar ze zegt ook: „Formeel excuses maken schept een precedent voor financiële claims en juridische aspecten.”

Fatah-Black ziet meer in excuses op lokaal niveau. Een nationaal excuus wordt haalbaar als je eerst de uitwerking op kleinere schaal ziet. Neem Georgetown University in Washington, die verkocht 272 mensen in 1832. De universiteit maakte in 2015 excuses en nazaten krijgen makkelijker toegang tot de universiteit. „Slavernij zorgde voor een achterstand in opleidingsniveau, dit is om die achterstand in te halen.”

Socioloog Bijnaar: „Als er een groot onrecht is aangericht op het gebied van mensenrechtenschendingen dan hoort elk land zich daarvoor te verontschuldigen.”