Iedere brug een gedicht

Halte Poëzie Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad Amsterdam.

Wie door Amsterdam loopt, loopt door twee steden, door de stad en door haar spiegelbeeld, zoals weerkaatst door het water, de reusachtige spiegel die ons overal omringt. Elke toren heeft twee spitsen, geen brug of je kunt er twee keer onderdoor.

Wie door Amsterdam fietst, fietst van brug naar brug, en iedere brug, zo denk ik vaak, is zijn eigen gedicht: Waalseilandbrug, Vier Windenbrug, Torensluis, Hoge Sluis, Wiegbrug, Sloterdijkbrug, Berlagebrug, Blauwbrug, Rotterdammerbrug, Nesciobrug, de lijst is eindeloos, negentienhonderd bruggen en binnenkort negentienhonderd namen ook. Geen groter genoegen dan wachten op de brug, omdat ie open is, meen ik, en naar de schepen kijken die voorbij komen met de snelheid van de slak.

Een enkele keer is er een verrassing. De Vaz Diazbrug bijvoorbeeld, de brug over de Nieuwe Herengracht die Jonas Daniël Meijerplein en Weesperstraat verbindt, toont als hij open gaat het gedicht ‘Wibautotisme’ van Kristiaan Kanstadt: ‘op ’n bumper/ na aan het/ Wibautotisme/ ontkomen-/ een zebra// had haast/ mijn bood-/ schappentas/ genomen en// stel raakte/ zo me laatste/ zin kant noch/ wal…’

Iedere brug een eigen gedicht, het zou mooi zijn. De Kerksluis bij het Amstelveld heeft zijn gedicht, maar alleen op papier. Het is van Gerard den Brabander, schrijver van de onsterfelijke regels ‘Ik kleine slaaf van poëzie en taal,/ mij was ter borst de eerste melk al schraal.’ Befaamd innemer ook. In zijn ‘Brief Door Tranen Uitgewist’ heeft Gerard Reve het over ‘de bij vuur of open vlam vermoedelijk ontploffende dichtervorst’ en als hij vraagt hoeveel de dichter drinkt per dag, een liter, of misschien zelfs anderhalf, luidt het antwoord: „Zowat daartussen in, Koekebakker, zowat daartussen in.” Het vers heet ‘Herfstmiddag aan de Prinsengracht’, dateert uit 1957 en begint zo: ‘Ik zie de boom, geworteld op de voeten,/ het jaar doorschrijden en het watervlak/ der Prinsengracht. Ik zie het water groeten:/ één grote glimlach, waar de zon in brak./ En toen ik haar op ingetogen benen/ over de ronde rondebrug zag gaan,/ liep er iets warms vanuit mijn borstkas heen/ en keek ik dieper in mijn leeg bestaan.’

Het gedicht is opgedragen aan Marga Minco, getrouwd met Bert Voeten, vandaar die ‘voeten’ in de eerste regel. En zij is het dus die we op ingetogen benen over de ronde rondebrug zien gaan. De Ronde Brug is de Kerksluis bij het Amstelveld, in de volksmond Ronde Brug omdat brug en weerspiegeling bij een bepaald licht een volmaakte cirkel vormen. In café Eylders bevindt zich, achter de bar, een monumentje ter herinnering aan Gerard den Brabander, in glas en lood.

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.