Eén uur tussen de papegaaiduikers, wat een vakantie

Farne-eilanden In anderhalve dag op en neer naar Noordoost-Engeland om papegaaiduikers te zien, is dat niet idioot? Nee, het voelt als een week vakantie.

Papegaaiduiker met visjes voor het jong. Dankzij weerhaakjes in hun gehemelte kunnen ze tien visjes tegelijk vasthouden.
Papegaaiduiker met visjes voor het jong. Dankzij weerhaakjes in hun gehemelte kunnen ze tien visjes tegelijk vasthouden. Foto’s Getty Images/iStockphoto

Je bent gestoord. Ofwel het werd me letterlijk gezegd, of de blik sprak boekdelen. Wie gaat er nu ‘even’ op en neer naar de grens met Schotland, om een uur – „een úúr?!” vogels te gaan kijken?

Toegegeven: ik zou het zelf ook idioot hebben gevonden, ware het niet dat ik een jaar geleden tijdens een lezing over vogelreizen foto’s op het scherm geprojecteerd zag die me overeind deden zitten. Was dit Európa?

Wat ik zag: spectaculaire rotspartijen met duizenden pinguïns, die bij inzoomen door de fotograaf echter geen pinguïns bleken te zijn maar zeekoeten en puffins, ofwel papegaaiduikers. Papegaaiduikers! Zo dichtbij. Waarom wist ik dit niet?

De papegaaiduikers blijken zich op te houden op de Farne Islands, een groepje kleine eilandjes, vooral rotspartijen, vlak voor de kust van Noordoost-Engeland. Een klein stukje doorrijden en je zit in Schotland. Er bleken verschillende reisjes naartoe te gaan, alle met maar één doel: die Zuidpool-achtige vogels bekijken.

Probleem: die vogels zitten er grofweg alleen in juni. Wie schoolgaande kinderen heeft kan in die vakantieloze periode lastig een week weg. Maar ik vond in het aanbod ook een ultrakorte trip: op dinsdagavond met de nachtboot vanuit IJmuiden naar Newcastle, woensdag bezoek aan de Farne-eilanden (inclusief één uur rondlopen op een van de weinige voor bezoekers toegankelijke eilandjes) en woensdagavond weer terug. Donderdagochtend 10.00 uur weer in IJmuiden. Anderhalve dag! Absurd misschien, maar idealer kon in mijn geval niet. Bovendien: het grootste deel van de reis lig je gewoon te slapen. En ook nog eens zonder vliegschaamte.

Strak schema

Deze Hop On Hop Off-trips blijken razend populair, evenals overigens de langere reisjes naar deze eilandengroep. Wie papegaaiduikers wil zien moet ruim van tevoren boeken. De boot naar Engeland was voor een groot deel gevuld met die typisch Engelse toeristen die Amsterdammers liever zien gaan dan komen: forse kerels met kale koppen, tattoos, grote glazen bier en luidruchtig andermans nachtrust verstorend, terug van de babes & beer van Amsterdam. Het aanzienlijk rustiger deel bestond voornamelijk uit in legergroen gestoken vogelaars. Deze mannen en een enkele vrouw zaten niet in de peperdure bars op de boot, maar stonden voornamelijk buiten, urenlang een harde, koude wind trotserend in de hoop op een zeldzaam vliegend of zwemmend exemplaar (dwergvinvis, witsnuitdolfijnen, of anders minstens bruinvissen). Naarmate de bootreis vorderde vloog er steeds vaker een jan-van-gent of noordse stormvogel langs.

Ondanks de zware stormen die tijdens deze reis de Noordzee over zouden trekken (KNMI: Code Oranje) was de gigant – wij sliepen op de 11de verdieping – gewoon uitgevaren, nauwelijks meer schommelend dan bij windstil weer. Fijn om te weten: die vaart altijd. Enige risico van deze trip is dat het weer aan de overzijde zo slecht kan zijn dat de kleine bootjes niet kunnen aanleggen bij het eilandje waar je kunt wandelen.

Wij hebben geluk. Onder een stralende zon meert de boot aan in de haven van Newcastle. Na de douaneformaliteiten brengt een bus de met telelenzen behangen vogelaarskolonie in ruim een uur naar het gehucht Seahouses, waarvandaan kleine bootjes toeristen naar de vogelrotsen brengen. Dat gaat volgens een strak schema: alle bezoekers krijgen één uur de tijd om over het grootste eiland te wandelen – daar waar de papegaaiduikers broeden. Slechts enkele bootjes meren tegelijk aan; als ze een uur later wegvaren stappen tientallen toeristen alweer uit de volgende lichting bootjes. Toch blijft het vogels kijken niet beperkt tot slechts één uur: eerst vaart het bootje ruim een uur langs de vele eilandjes, waar ook al veel spectaculairs te zien is.

Gewaggel

Bij de eerste rotswanden vol zeekoeten geloof je je ogen al niet, maar elke bocht die de boot omslaat wordt het nog extremer. Tienduizenden zwart-witte vogels bij elkaar – het zijn beelden die je kent van Planet Earth, geschoten op plekken waar nooit een mens komt. Ondertussen vliegen de eerste papegaaiduikers al langs de boot, toch de vogels waar iedereen vooral voor komt. Er zijn maar weinig vogels die – ook onder niet-vogelaars – zo tot de verbeelding spreken: die wat droevige ogen, de grote oranje snavel, dat gewaggel in rechtopstaande positie: qua uiterlijk en aaibaarheidsfactor verslaat hij alle soorten pinguïns. ‘De clown onder de zeevogels’ wordt hij ook wel genoemd. Maar die term doet hem te weinig recht.

Enkele van de 100.000 zeekoeten op de Farne-eilanden.

Al slalommend rond de rotsen passeren we tientallen grijze zeehonden op korte afstand, ze kijken ons aan maar lijken het gewend, de telefoontjes die op ze worden gericht. Ze knijpen wat met hun ogen en draaien zich nog eens om. Dit beeld alleen al was deze reis waard.

Maar dan moet het summum dus nog komen.

Pikaanvallen

Elke bezoeker die van het bootje stapt moet een toegangsbewijs laten zien aan de met vogelpoep besmeurde medewerker van de National Trust (zeg maar de Britse Natuurmonumenten), dat zorgdraagt voor bescherming van de eilandengroep. De eerste 100 meter op het gewilde eiland zijn allesbehalve relaxed: het wandelpad loopt vlak langs de nesten van broedende noordse sterns, die pikaanvallen doen op onze hoofden. Daarom kreeg iedereen van tevoren een petje uitgedeeld. Dat voorkomt echter niet dat ik nog twee dagen een pijnlijke plek op mijn schedel zou houden na een voltreffer dwars door de pet heen.

Lees ook: NRC tipt steden, van Brussel tot Tel Aviv

Maar even verderop laten we de sternnesten alweer achter ons en dan zien we waar we voor komen. Links en rechts waggelen de eerste papegaaiduikers door het gras. Het advies vooraf was: loop eerst helemaal naar achter, dan kun je beter inschatten hoeveel tijd je waar wilt doorbrengen om na een uur weer bij de boot te kunnen staan.

Aan de uiterste punt van het eiland kijk je van bovenaf zo op de platte rotsdelen vol met gigantische hoeveelheden zeekoeten en enkele alken en kun je zo dichtbij sommige vogels komen dat je zelfs met je telefoon al prachtige foto’s kunt maken. Bang lijken ze in het geheel niet – hooguit doen ze een stapje bij je vandaan als je in je enthousiasme je mobiel al te dicht bij ze houdt. We zien de zeldzame kuifaalscholver en enkele brilzeekoeten, eidereenden, visdiefjes en drieteenmeeuwen, al dan niet zittend op het nest. Hier en daar piept een jong onder moedervogel vandaan.

Apotheose

Terug lopend over een ander pad volgt de apotheose. Papegaaiduikers waar je maar kijkt, en heel dichtbij. Ze graven eenvoudige holen in de aarde waar ze hun nestje maken en hun jong voeren – we zien grasvelden vol gaten en bij vrijwel elk hol een papegaaiduiker die de wacht lijkt te houden: de partner (afwisselend man of vrouw) zit onder de grond te broeden. Af en toe duikt er een in het gat: kokmeeuwen hebben interesse in de visjes die de papegaaiduikers naar hun jongen willen brengen en voeren agressieve duikvluchten uit op de papegaaiduikers, die dan buitengewoon kwetsbaar lijken.

Het was al voorspeld door de reisorganisator: zo’n uur vliegt voorbij. Tien minuten voor tijd beginnen de begeleiders ons weer voorzichtig richting het pad terug naar de boot te dirigeren. Rennend op het laatste stukje – onder de stern-aanvallen door – denk je eerst nog: ik wil niet weg! Toch is het aanbod zo overweldigend dat deze supercocktail van louter hoogtepunten bijna hetzelfde effect heeft als een langere vakantie: terwijl we terug varen naar Seahouses maakt een intens bevredigd gevoel zich van ons meester. Op deze ervaring kunnen we nog een hele tijd teren.

Aan de andere kant: wie hier een uur heeft rondgelopen wil gegarandeerd nog een keer terug. Voor anderhalve dag of, als de kinderen het huis uit zijn, toch een keer een week.