Een huis voor Indische heimwee en creativiteit

Collectieve erkenning Donderdag ging Museum Sophiahof in Den Haag open. Het moet een „Indische pleisterplaats” worden, al is niet iedereen het daarmee eens.

Foto David van Dam

De koning houdt de handen van een vrouwelijke demonstrant vast. Ze vertelt in tranen het verhaal van haar ouders, over Indië, over de kille ontvangst in Nederland, over de soldij die haar vader nooit meer kreeg, over zijn jaren in het „Jappenkamp”. En Willem- Alexander zegt: „Het doet pijn als ik dit hoor.”

Aan de Haagse Sophialaan heeft het staatshoofd donderdag Museum Sophiahof geopend. Een „Indische pleisterplaats”, volgens de diverse sprekers die aan het woord kwamen. En op weg naar zijn gereedstaande auto maakt de Koning even tijd voor vijftien actievoerders van Indisch Platform 2.0, die vinden dat het museum er niet had moeten komen. Eerst hadden de achterstallige salarissen van het Indisch personeel moeten zijn betaald, vinden zij.

Binnen had voorzitter Silfraire Delhaye van het Indisch Platform, dat door de overheid als spreekbuis voor de Indische gemeenschap wordt gezien, de bijeenkomst geopend met een terugblik op de ontstaansgeschiedenis van het museum Sophiahof. Hij verwees naar het „Indisch verdriet”, maar ook naar het streven van de laatste twee kabinetten om daaraan een eind te maken. Uiteindelijk is het platform akkoord gegaan met de plannen van toenmalig staatssecretaris Martin van Rijn (Volksgezondheid, Welzijn en Sport, PvdA) om over te gaan tot een beleid van erkenning door de overheid dat de Indische gemeenschap sinds de Tweede Wereldoorlog stiefmoederlijk is behandeld. Er kwam een individuele compensatieregeling en beleid voor ‘collectieve erkenning’.

Lees ook het Commentaar: Een museum maakt de ‘Indische kwestie’ niet tot geschiedenis

Twee bestuursleden van het Indisch Platform wezen het compromis echter af. Zij vonden dat teveel rechthebbenden buiten de regeling vielen en hadden geen boodschap aan collectieve erkenning. Aldus ontstond, onder leiding van Peggy Stein, de afsplitsing Indisch Platform 2.0.

Foto David van Dam

De witte villa aan de Sophialaan brengt een aantal Indische en Molukse organisaties onder één dak. Zij bestonden al langer maar vallen nu onder dat beleid van collectieve erkenning. Behalve het Indisch Platform zijn dat het Museum Sophiahof, het Indisch Herinneringscentrum, het Moluks Historisch Museum, de stichting Pelita en de stichting Nationale Herdenking 15 Augustus 1945.

Meer dan babi pangang

Het openingsprogramma bestaat uit een reeks presentaties van projecten die met subsidies uit het budget voor collectieve erkenning zijn betaald. De twee makers van de film Wij zijn meer dan babi pangang vertellen het verhaal van de stereotype beeldvorming van de Indisch-Chinese bevolkingsgroep. Er is een stukje uit de voorstelling Senang waarin twee kleinkinderen het verhaal vertellen van de aankomst van hun grootouders en de kille ontvangst die hen ten deel viel: „’Automobilist schept halfbloedje’, stond in de krant. Dat was mijn grootvader.” En het collectief Teru vertelt over hun fototentoonstelling getiteld ‘Mahina- Een ode aan de vrouw’. Omdat Molukse vrouwen, volgens de makers, altijd op de achtergrond zijn gebleven maar juist de dragers zijn van de cultuur.

Foto David van Dam

Volgens staatssecretaris Blokhuis (Volksgezondheid, Welzijn en Sport, ChristenUnie) is met het museum „een nieuwe woning gebouwd. Er is plaats voor iedereen. Voor pijn en verdriet, maar ook voor schoonheid en nieuwe initiatieven.”

Buiten roepen Peggy Stein en haar mede-demonstranten: „Stop het negeren! Excuses! Compensatie!” Een van hen vertelt over zijn vader, die nooit zijn soldij over de jaren in het kamp heeft ontvangen en overleden is in 2012. „Hij valt daarom buiten de regeling. Dat mijn moeder nu niets krijgt, vind ik oneerlijk.”