Opinie

    • Willem Pekelder

Bloempoëzie

In 010

Manuel Kneepkens nodigde mij uit voor een poëtische wandeling door Arboretum Trompenburg in Kralingen. We begonnen bij de hortensia, waar de dichter declameerde: Niet ongelijk oudtante Hortense/waarvan het olieverfportret (licht beschadigd)/ bij ons op zolder in gedwongen vrede rust

Waarna de poëet vertelde: „Ik kom hier al sinds 1971, toen ik docent criminologie werd aan de Erasmus Universiteit. Er waren in die tijd op de juridische faculteit hevige spanningen tussen progressief en conservatief. Was ik in deze tuin geweest dan kon ik mijn collega’s in elk geval kalm en menselijk tegemoet treden.”

Tijdens al dat kuieren ontstonden gedichten die Kneepkens in 2016 bundelde in een bloemlezing. Zoals dit vers over de geranium: Zo roestbruin rood als de halfvergane kleur/van Hollywood-vampjurken/laag uitgesneden tijdens ’t Technicolor-Tijdperk in de Jaren Vijftig.

„Tuinen voeden de beschaving”, mijmerde Kneepkens nog even voort over zijn Erasmus-verleden. „Welbeschouwd ligt aan de westerse cultuur een tuin ten grondslag: de Hof van Eden met zijn boom van Goed en Kwaad.” Inmiddels stonden we oog in oog met een perk rozen, wat de dichter inspireerde tot: Maar o, o, de rozenblaadjes!/dat introverte mollige/ als van de handen van poëten

We passeerden de conifeer, waarin regendruppels schitterden als diamanten. En de vlinderboom. „Ha”, riep Kneepkens. „De beheerder heeft niets met vlinderbomen, maar móest er wel één poten na mijn gedicht.”

Dikwijls barok dichtwerk, merkte ik op, al bladerend door de bundel. „O ja”, beaamde Kneepkens, „mijn geliefde noemt het rooms.” In elk geval is het Limburgs, zo hier en daar, de provincie waar de kunstenaar 77 jaar geleden werd geboren als zoon van een mijningenieur. Luister maar eens hoe de dichter de Judaspenning, uit de rijke familie der kruisbloemen, weet te verbinden met het mijnwerkerslot: Hoor, hoe de kus van hun woord wordt uitbetaald, verraderlijk/ met een loonzakje (doorzichtig)/ inhoud: dertig zilverlingen

Kneepkens: „Dat loonzakje was een Judaskus. Dodelijk werk daar in die Limburgse mijnen.” Een dichter-politicus noemt hij zich, maar deze ochtend was hij voor mij als kroniekschrijver vooral een geschenk van lyriek.