Veteranen op bedevaart naar Lourdes, op zoek naar vergeving

Pelgrimstocht Elk jaar gaan militaire veteranen naar Lourdes om voormalige vijanden te vergeven – en soms zichzelf.

Begin van de grote kruisweg in Lourdes.
Begin van de grote kruisweg in Lourdes. Foto Claire Felicie

Acht uur ’s ochtends, dinsdag 14 mei. In Houffalize achter hotel Vayamundo staan vierenveertig veteranen met ronkende motoren op een parkeerplaats. Klaar om met de kwispel van krijgsmacht-aalmoezenier Tom van Vilsteren te worden ingezegend voor een tien dagen durende bedevaart naar Lourdes. Vier vrouwen en veertig mannen tussen de dertig en zestig jaar oud die actief waren bij de marine, land- of luchtmacht. Van logistiekeling tot explosievenopruimer, van gewondenverzorger tot infanterist. Onder hen ook Jacco Min (43). Op hun leren motorjassen lees je de geschiedenis van hun missies: Libanon, Bosnië, Eritrea, Irak, Kosovo, Afghanistan.

Ze doen mee aan de Pèlerinage Militaire Internationale, een jaarlijkse bedevaartstocht naar Lourdes waaraan twee- tot driehonderd veteranen meedoen. In de jaren vijftig werd die voor het eerst georganiseerd door Franse en Duitse aalmoezeniers. Met een groep militairen die de oorlog overleefd hadden, vertrokken ze naar Lourdes voor een ontmoeting met hun voormalige vijanden. Met hen de dialoog aangaan, vormde in hun ogen de basis van wederzijds begrip. Een idee dat al snel uitgroeide tot een traditie waarbij niet alleen Fransen en Duitsers elkaar ontmoetten, maar militairen van over de hele wereld bijeenkomen om hun vijanden, en soms ook zichzelf, te vergeven.

De groep die klaarstaat op het parkeerterrein is de enige die op de motor komt. De groep ontstond in 2006, toen Jan Wolters nadacht over het overwinnen van posttraumatische stressstoornis (PTSS). Als vloot-aalmoezenier werd hij geïnspireerd door het verhaal van de Cefaloren, de hoofddragers, een zestigtal heiligen, soldaten die hun hoofd verloren maar soms nog jaren doorleefden. Het verhaal is in de ogen van Wolters een metafoor voor opnieuw de baas worden over je eigen hoofd. De motor dwingt je tot die confrontatie. Alleen, met je hoofd in je helm. Een helm die je aan de voet van de Pyreneeën af kunt zetten.

Ergens op een departementale weg tussen de Pont de Normandie en Dieppe rijdt de groep door een van die Franse dorpjesdie met uitsterven bedreigd worden. Die uit niet veel meer bestaan dan een rij huizen aan beide zijden van de weg, een bakker, groenteboer en een garage. Nog geen kwartier geleden stopten ze in precies zo’n zelfde dorp om een broodje te eten en te tanken. Het enige onopvallende verschil nu is de geur. Dit dorpje ruikt naar rottend vlees. Rond de bron van de niet te harden geur, een vrachtwagen van een paardenslachterij, lopen gendarmes met witte mondkapjes.

Op het ‘D-Day’-
strand van
Arromanches in Normandië
Foto Claire Felicie

Uit het niets trekt Jacco Min de gashendel van zijn Harley flink open. Op de slingerende wegen in de heuvels niet ongewoon, maar hier niet. Onrustig schiet hij iedereen voorbij tot hij naast Peter Dallinga, de roadcaptain, rijdt. Jacco brengt twee opgestoken vingers naar zijn mond. Hij wil stoppen, roken. Dallinga kijkt even opzij, zijn linkerhand geeft aan dat ze doorrijden en de rechter geeft gas bij.

Als de groep een uur of twee later eindelijk een pauze houdt, vertelt Jacco Min wat er aan de hand was.

„Ik had even stress ja.” Zijn handen verraden dat ‘even’ een understatement is. „Ik moest ontspannen, roken, maar Peet schudde nee en zei: Dit is Frankrijk, niet Kosovo, dus door! Dat snap ik ook wel, want vanmorgen in Arromanches hebben we natuurlijk al veel tijd verloren.”

„In therapie heb ik geleerd dat ik op zo’n moment van stress drie kleuren, drie geuren en drie geluiden moet benoemen om rustig te worden. De enige geur waar ik op dat moment aan kon denken, was die van rottend vlees. Een lucht die ik nooit meer zal vergeten.”

In Houffalize, het startpunt van de motorbedevaart, had hij er bij een glas bier al iets over verteld. De eerste maand van zijn missie in Kosovo was slopend. Ze draaiden diensten van twaalf uur op, twaalf uur af. Opgeleid om overige eenheden te bevoorraden, bleken zijn werkzaamheden daar ineens zo anders. Niet zijn functie, maar de oorlog dicteerde daar zijn taak: het leegruimen van de massagraven.

„Gediagnostiseerd honderd procent PTSS.” Hij zegt het met gevoel voor humor, alsof het een opluchting was. Sinds hij weet waar hij last van heeft, kan hij eraan werken, ertegen vechten. PTSS was voor hem de reden om naar Lourdes te vertrekken.

Veteraan Jacco Min
Veteraan Jacco Min
Foto Claire Felicie

Als Jacco Min een sigaret staat te roken voor hotel St Georges, waar hij in Lourdes verblijft, spreekt aalmoezenier Paul Vlaar die de missen dit weekend in Lourdes begeleidt, hem aan. „Ik heb gehoord dat jij acoliet bent geweest.” „Klopt.” Jacco trapt zijn peuk uit en samen verdwijnen ze kort de lobby in.

„Wat is een acoliet?”, Vraagt iemand als hij weer naar buiten komt. „Een misdienaar.”

Verdere uitleg kan hij even niet geven, in de stromende regen staan de overige Nederlandse militairen al opgesteld op Avenue Peyramale om afgemarcheerd te worden naar de grot van Bernadette. Ergens achter de ruwe bolster van Jacco Mins baard, zonnebril, jeans, kisten en het met badges beplakte motorjack heen zit een misdienaar, die in de mis van morgen een taak heeft.

Lees ook: ‘Veteraan wordt nu pas geholpen als-ie piept’

Als de andere bedevaartgangers in de kapel zitten, kleedt Jacco Min zich in de sacristie om, waarna hij de priester en zijn gevolg voorgaat naar het altaar. Met de precisie van een staartklok slingert hij een wierookvat heen en weer dat naast het altaar aan een driepoot komt te hangen.

De motorschoenen die onder de roomwitte toog vandaan komen, verraden dat de motorrijdende Jacco die de groep de afgelopen dagen heeft leren kennen, slechts onder een luxe poncho schuilgaat. Toch is er serieus iets veranderd. Hij straalt rust uit en heeft focus.

„Zo, die kan ik afvinken. Hoeveel mensen kunnen er nou zeggen dat ze misdienaar zijn geweest in Lourdes?” Zijn witte gewaad zit inmiddels keurig opgevouwen in een plastic tas van Lidl.

De aankomst in Lourdes.
Foto Clair Felicie
Links: de aankomst in Lourdes. Rechts: Jacco Min als misdienaar.
Foto’s Claire Felicie

Van jongs af gaat hij naar de kerk. Eerst diende hij alleen, later zong hij ook in het koor. In Nederland dient Jacco Min nog geregeld, uitvaarten, bruiloften en soms de zondagsmis. Af en toe samen met zijn vader.

In de straten van Lourdes, het Salou van het rooms-katholicisme, hangen posters. „Vergeef je vijand en schud hem de hand.”

Een boodschap waaraan de meeste militairen vooral in de avonduren invulling geven : als de straten rond de Pont Vieux voor het verkeer zijn afgezet en de militairen vanuit het café Jeanne d’Arc met grote glazen bier in hun handen hun buitenlandse collega’s op de brug toezingen.

Als een Servische en een Kroatische militair Jacco Min de hand willen schudden, staat hij op en loopt weg. De rust die hij eerder op de dag nog over zich heen had is ineens verdwenen. Hij baant zich een weg door de straten van Lourdes waar zijn vuist hard tegen het reclamebord van een winkel slaat. Een van de motorrijders die op dat moment bij hem is, houdt afstand.

„Wat gebeurde er?”, wil ze in het hotel weten.

„Ik ging door het lint. Die gasten willen een hand, dat ik ze vergeef.” Vergeven voor wat? „Voor de massagraven die ze in Kosovo hebben achtergelaten? De stank van die graven waar wij met een mondkapje op de lijken uit moesten halen en weg moesten brengen naar een plek waar de familie ze kon identificeren en daarna fatsoenlijk begraven?”

Lees ook: Een ‘love drug’ om van je oorlogstrauma af te komen

Op advies van een van zijn maten en ondanks zijn frustraties geeft hij een dag later alsnog een Serviër een hand.

Zijn missies, Kosovo en Eritrea, staan samen met het veteranenteken en de woorden geloof hoop en liefde op zijn linkerarm getatoeëerd. Rechts, vertelt hij als ze weer thuis zijn, wil hij het hoofd van Christus laten zetten. „Omhoog kijkend, misschien wel aan het kruis. Wat denken jullie?”

„Zonder kruis is het misschien wel mooier. Alleen zijn hoofd is al krachtig genoeg.”

Foto Claire Felicie