Public Domain - koor -

Foto Steven Pisano

David Lang: ‘Ik probeer beter te componeren dan ik kan’

Koorbiënnale David Lang componeerde een stuk voor 1.000 zangers. Tijdens de Koorbiënnale is het in Haarlem en Amsterdam te horen. „Wat is belangrijker: goed klinken, of having a blast?

Een componist kan overal geraakt worden door de bliksemschicht van de inspiratie, ook op Highbury, het legendarische oude stadion van voetbalclub Arsenal. Begin jaren negentig logeerde David Lang in het appartement van zijn vriend en collega-componist Mark-Anthony Turnage in de Londense wijk Islington en bezocht daar in de buurt min of meer toevallig een Arsenal-wedstrijd. Het was koud, hij was eenzaam, hij wist niks van voetbal – „sinds mijn kinderen voetballen heb ik er meer mee” – en vond de wedstrijd behoorlijk saai. Maar hij werd getroffen door het daverende gezang dat van de tribunes rolde: „Ze klonken niet goed, maar ze hadden wel enorm veel lol – veel meer plezier dan de meeste klassieke zangers die ik ken. En ik vroeg me af: wat is belangrijker: goed klinken, of having a blast?

Zo’n gewetensvraag is typisch David Lang (1957), de inmiddels wereldberoemde componist van onder meer little match girl passion (Pulitzerprijs 2008) en filmmuziek voor Youth van Paolo Sorrentino.

David Lang Foto Peter Serling

De Arsenal-ervaring verwerkte Lang jaren later in het stuk crowd out (2014), waarin duizend mensen voornamelijk schreeuwen en roepen. Dat beviel hem zo goed dat hij nóg zo’n mammoetstuk componeerde, the public domain (2016), wederom voor duizend uitvoerders, maar dit keer met de nadruk op samenzang. Tijdens de Koorbiënnale beleeft the public domain zijn Nederlandse première. Het werk wordt twee keer uitgevoerd: vrijdag 5 juli op het Gershwinplein in Amsterdam (Zuidas) en zaterdag 6 juli op het Leonardo da Vinciplein in Haarlem. Lang is beide keren aanwezig. De uitvoeringen zijn gratis toegankelijk.

Samenwerken

In een koffietent in zijn woonplaats New York vertelt David lang geanimeerd over zijn werk, de „kleptocratische regering” en die koude middag in Londen. Waarom het twintig jaar duurde voordat hij zijn plan realiseerde? Simpel: opdrachtgevers hadden geen interesse. „Ik heb een hele lijst met ideeën en als iemand een stuk van me wil dan stel ik er eentje voor. Maar hierin was niemand geïnteresseerd.” Dat veranderde als bij toverslag toen Lang in 2008 de Pulitzerprijs won: „Het is gewoon gênant hoeveel makkelijker het wordt om stukken te pitchen na het winnen van de Pulitzer. Het herschrijven van Beethovens opera Fidelio, dat is misschien wel het slechtste idee ooit. Ik loop er al veertig jaar mee rond, maar nu denken mensen opeens dat ik weet wat ik doe. Dus kan het.”

De Fidelio-spin-off heet prisoner of the state en ging een maand geleden in New York in première, door Jaap van Zweden en de New York Philharmonic. The New York Times was laaiend enthousiast. In mei 2020 is het werk te horen in De Doelen in Rotterdam.

Maar deze week eerst the public domain in Amsterdam en Haarlem. Wat begon met het brullen van schunnige liedjes op de tribunes van Highbury, werd in Langs handen een megacompositie over samenwerken en het bereiken van overeenstemming. Muziek heeft het vermogen om mensen op te ruien; Plato wist dat al, en verbood muziek daarom in een ideale staat. Ook Lang weigert dat vermogen te benutten: „Ik wil mensen niet in beweging brengen of manipuleren om de staat omver te werpen. Ik heb geen idee wat we zouden moeten doen, daarvoor doorgrond ik de politieke antwoorden onvoldoende. Wat ik wil is mensen bijeenbrengen om na te denken over wat we zouden moeten doen.”

Hij schudt een wat hermetische, maar houtsnijdende oneliner uit zijn mouw: „the public domain is een bouwwerk waarvoor mensen elkaar nodig hebben, dat erover gaat dat mensen elkaar nodig hebben om het te bouwen.”

Mensen bijeenbrengen om samen iets te realiseren: daarvoor heeft de muziek een beproefd model. Voor Lang is repeteren een van de belangrijkste en meest bevredigende aspecten van zijn vak: „Tijdens de repetitie leer je elkaar kennen en werk je samen aan een soort utopisch doel, ongeacht waar je vandaan komt, wat je levensbeschouwing of etniciteit is, hoeveel geld je verdient. Zo’n situatie hebben we verder nergens meer in onze wereld.”

1.000 mensen

Daarom besloot Lang een stuk te schrijven voor duizend mensen die samen moeten repeteren. „Ik wilde geen makkelijk stuk maken. Het is geen flashmob, geen stuk waarin je kunt doen wat je wilt. Het is genoteerd, er zijn instructies. Je moet repeteren, anders kun je het niet uitvoeren. Duizend uitvoerders is het uitgangspunt, maar het kan eenvoudig worden opgeschaald naar vijftigduizend.”

De duizend zijn verdeeld in kleine groepjes, elk met een leider. Deze leiders staan in contact met „de grote dirigent”, zoals Lang hem noemt; deze week is dat Peter Dijkstra, chef van het Nederlands Kamerkoor, dat co-producent van the public domain is. Alle uitvoerenden doen ongeveer hetzelfde, maar op verschillende momenten. Via de groepsleiders wordt de timing gecoördineerd. Elke sectie begint met chaos, waarna de groepsleden op elkaar afstemmen en harmonie bereiken. „Iedereen die dit werk heeft gezongen is gekwalificeerd om de volgende keer zelf een groepje te leiden. Na een paar keer kan een hele stad het uitvoeren”, zegt Lang. „Als ze maar repeteren.”

Voor de tekst zette Lang crowdsourcing in. In zijn zoekmachine typte hij de zinnetjes: „one thing we can agree on is our…”, „one thing we all share is…” De automatisch gegenereerde suggesties om die zinnen af te maken zette hij vervolgens achter elkaar: „our love of music”, „our favorite sandwich”, „our passion”, et cetera.

In elke land doen ze the public domain op hun eigen manier, heeft Lang gemerkt. In New York was het een chaotische bedoening, waarbij de grens tussen uitvoerders en publiek vervaagde. In Berlijn was het juist een strak georganiseerd evenement, met vlaggen voor iedere groep. Lang bemoeit zich er niet mee: hij wil verrast worden.

Niets

Sowieso staat Lang opvallend relaxed tegenover zijn eigen werk, zodra het eenmaal af is. De dag na het interview bezoeken we de cd-opname van zijn bejubelde eenmansopera the loser – ook uit 2016, het absolute tegendeel van de massaliteit van the public domain. De studio’s van Sear Sound bevinden zich op de vijfde verdieping van een afgeleefd pand in Midtown Manhattan. Ook zonder zijn aanwezigheid wordt het een geweldige opname, zegt Lang. „Maar ze willen graag dat ik erbij ben.” Hij werkt ondertussen aan de orkestratie van een andere compositie, praat met de verslaggever, drinkt koffie en is weinig scheutig met aanwijzingen: Langs werk zit erop, vindt hij, nu is het aan de musici.

the loser is gebaseerd op de roman Der Untergeher van Thomas Bernhard, waarin de verteller herinneringen ophaalt aan de tijd dat hij samen met pianist Glenn Gould bij Horowitz studeerde. De plot interesseert Lang niet en de feiten over Gould zijn verzonnen. „Het gaat mij om de ontwikkeling van het karakter van de verteller, de manier waarop het verhaal verteld wordt. Ik probeer composities te maken die lijken op hoe ik mijn leven leef: er gebeurt iets en daar denk je over na. Niet de gebeurtenis is het belangrijkste, maar wat je denkt. Daarom is The loser een perfect boek voor mij. Er gebeurt namelijk bijna niets.”

Schrijver Bernard wilde zelf musicus worden en slaagde daar niet in. Dat geldt voor vrijwel iedereen die een carrière in de kunsten ambieert, weet Lang. De onderliggende angst – ben ik wel goed genoeg? – vindt hij heel herkenbaar, en die wordt nauwelijks verlicht door ervaring of roem. „Bij elk stuk dat ik schrijf probeer ik een betere orkestrator te zijn dan ik ben, probeer ik een complex contrapunt te schrijven, dat ik vervolgens moet weggooien omdat het niet werkt. Niemand anders mist het, maar als ik mijn muziek hoor, dan hoor ik vooral alle dingen die ik niet kan en die ik succesvol heb vermeden. Als mijn muziek een eigen signatuur heeft is dat de reden.”