De menselijke fout, een kolossale stommiteit

Ewoud Sanders

Woordhoek

Aan de buitenkant lijkt alles in Nederland goed geregeld. Maar de Rotterdamse haven blijkt door een computervirus te kunnen worden platgelegd. De ING blijkt op zó’n grote schaal geld te hebben witgewassen dat dit niet volledig door de Nederlandse staat kon worden onderzocht. En ondanks eerdere garanties blijkt het noodnummer 112 te kunnen uitvallen in een land dat zich laat voorstaan op z’n technische infrastructuur.

Maar het gekst is wel dat de overheid vervolgens als alternatief noodnummer de tiplijn van De Telegraaf verspreidt. Dan waan je je even in clown world, om eens een typering van extreemrechts te lenen.

De oorzaak van het uitvallen van 112 wordt nog onderzocht; het van overheidswege verspreiden van het Telegraaf-telefoonnummer wordt aangemerkt als een menselijke fout. In dit geval mag dat een eufemisme heten voor een kolossale en onbegrijpelijke stommiteit.

Sinds wanneer kennen wij de menselijke fout? Het flauwe antwoord is: sinds het begin van de mensheid. Het historisch-taalkundige antwoord is complexer. De exacte woordcombinatie menselijke fout lijkt een uitvinding van de zeventiende eeuw. Althans, in een driedelig werk uit 1683 getiteld Proeven vande zede-kunst lezen we dat het voor vrome lieden geen zin heeft om zich te beklagen als er „kwade gedagten” in hen opkomen. Zij maken „menschelijke fouten” omdat ze nu eenmaal mens zijn. Wel moeten zij zich in dergelijke omstandigheden „zediglijk” tonen en aan kwade gedachten „arbeiden om die te genesen”.

Voor de goede orde: het gaat hier om de vertaling van een Frans filosofisch werk. Pas in de negentiende eeuw lijkt menselijke fout in oorspronkelijk Nederlandse publicaties gemeengoed te worden.

De woordcombinatie menselijke fout maakt echter deel uit van een groter complex dooddoeners. Denk aan: vergissen is menselijk, we zijn allemaal mensen en iedereen kan fouten maken. Allemaal waar, maar als excuus niet in iedere functie acceptabel.

Vergissen is menselijk wordt bij mijn weten het vaakst gebruikt, vooral in de spreektaal – bij uitstek het domein van clichés. Oorspronkelijk was dit overigens geen dooddoener; het gaat om de verkorting van een levensles van de Romeinse redenaar Cicero: Errare humanum est, (sed) perseverare diabolicum; vergissen is menselijk, (maar) eraan vasthouden is duivels. Nu we toch bezig zijn met de ouderdom van woorden: het woord noodnummer is een stuk ouder dan het telefoonnummer 112, dat pas in 1997 werd ingevoerd. Kranten en tijdschriften brachten vanaf de negentiende eeuw af en toe een noodnummer of noodeditie uit, aan het begin van de twintigste eeuw kregen sommige wanhopige woningzoekenden een noodnummer – voor een loting.

Het woord alarmnummer maakte opgang vanaf 1925. Tot die tijd kende Nederland een telegrafisch alarmsysteem, maar in 1925 werd er een telefonisch alarmnummer voor brandweer en politie ingesteld, namelijk 22. Het dagblad Het Vaderland had bijna een hele pagina nodig om uit te leggen hoe dit systeem werkte in Den Haag. Brandweer en politie waren daar te bereiken via toestellen bij onder meer kiosken, schouwburgen en grote gebouwen. Over de telefonistes werd speciaal gemeld dat zij veel ervaring hadden, opgedaan bij het gemeentetelefoonbureau. „Verwacht mag dus worden dat zij bij brand met kalmte en vastberadenheid zullen optreden. Werkt deze factor mee – en de dames zijn vol ambitie – dan heeft Den Haag een model van een politie-brandweer-alarm-centrale.”

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders