Story, story, die van de Noorse choreograaf Alan Lucien Øyen.

Foto Mats Backer

Dansen over zelfhaat, selfies en leugens op Julidans

Interview Alan Lucien Øyen maakte de openingsvoorstelling van Julidans, het festival dat jaarlijks de stand van de internationale hedendaagse dans opmaakt. De leugen regeert, stelt de Noor in Story, story, die.

Hij is een ontwapenende verschijning. Niet alleen omdat hij lang is, een beetje slungelig met zijn giraffennek, maar vooral door de vilten puntpantoffels waarop hij zich voor en na de voorstelling beweegt door Dansens Hus, het theater voor hedendaagse dans in Oslo. De ettersnakk (het nagesprek) met Alan Lucien Øyen (Bergen, 1978) krijgt er op de dag na de première in mei meteen een ongedwongen, huiselijke sfeer door.

Ook met de milde zelfspot waarmee hij de titel van Story, story, die verklaart, neemt hij het nagebleven publiek moeiteloos voor zich in. „Mijn eerste gedachte was Love me! Maar er zijn al te veel titels met love. En Fiction had ik al gebruikt. Story, story, die komt van een gezelschapsspel waarin je een verzonnen verhaal zonder hapering van elkaar moet overnemen en voortzetten. Lukt dat niet, dan lig je eruit. Dat is wat wij doen, daar gaat het stuk over. Het ritme van deze titel bevalt me ook.”

Verhalen, fictie, leugentjes vertellen om erbij te horen, bemind te worden – het is van alle tijden, maar riekt tegenwoordig vooral naar een kritiek op de cultuur die op socialemediaplatforms heerst. Like me! Did you like it? I like you, I am like you. I want to be like you – Facebook en Instagram staan vol met de zinnetjes die ook in Story, story, die klinken.

Het is niet voor het eerst dat een (dans)voorstelling de schijnwerpers richt op hoe internet en technologie onze levens beïnvloeden. Øyen wilde echter pertinent geen „iPhoneballet”. Er is zelfs geen mobieltje te bekennen in Story, story, die. De ochtend na de voorstelling noemt hij het zijn meest hard core dansvoorstelling tot op heden, en inderdaad; de dynamische, technisch veeleisende, vederlicht en soepel uitgevoerde choreografie zou niet misstaan bij het Nederlands Dans Theater.

Story, story, die is de openingsvoorstelling van Julidans. Het is totaal anders dan Neues Stück II: Bon Voyage, Bob, dat hij vorig jaar maakte voor Tanztheater Wuppertal. Net als de Griek Dimitris Papaioannou viel Øyen de eer te beurt een nieuw, avondvullend werk te mogen maken voor de groep van de fameuze, in 2009 overleden Pina Bausch. Pas in het Duitse industriestadje begreep hij écht waarom uitgerekend hij was uitgenodigd. „Bloednerveus was ik, en tegelijkertijd voelde het vertrouwd. Werkend met de dansers – sommigen waren al bij Pina toen ik nog geboren moest worden! – en kijkend naar oude video’s lichtten allerlei dingen in mijn brein op. Zonder je ervan bewust te zijn, blijk je, via via, als theatermaker enorm door haar beïnvloed. Het proces, de stijl – als zij er niet was geweest, zou mijn werk, het theater in zijn algemeenheid, er anders uitzien.”

In Wuppertal trok Øyen alle registers – dans, tekst, decor, video – open en plaatste zich definitief in het vizier van internationale programmeurs, dans- en theatergezelschappen.

Techniek

Eigenlijk, zegt hij, was het zijn jeugddroom filmregisseur te worden. Enigszins besmuikt lachend: „Nog steeds.” Zijn loopbaan volgt tot nu toe een slalomtraject. Terwijl hij werd geïnspireerd door film en hedendaagse dans, koos hij, op zijn zeventiende pas, voor een oerdegelijke balletopleiding van een oud-klasgenoot van balletlegende Mikhail Baryshnikov: „Om de klassieke techniek als instrument te kunnen benutten. Ik had verder geen ambitie in die richting.” Sinds 2004 maakt hij complexe multidisciplinaire voorstellingen, waarna in eerste instantie vooral uitnodigingen van dansgezelschappen volgden. Tussen die gastchoreografieën door stilde hij zijn behoefte aan theatraal werk met zijn eigen projectgezelschap Winter Guests, dat hij dertien jaar geleden oprichtte. Langzaamaan komen nu ook uitnodigingen van theater- en operagezelschappen zijn kant op. Volgend jaar maakt hij een productie voor de Opéra van Parijs.

Julidans boekte Story, story, die al ruim voor de première in mei, op grond van eerder (theatraler) werk. Het stuk is het startschot voor een editie waarin een hang naar echte intimiteit en geborgenheid als een rode draad door verschillende producties slingert. Øyen focust op de complexe wisselwerking van liefde en leugens: de alledaagsheid van het bestaan wordt voor de buitenwereld omgetoverd tot benijdenswaardige plaatjes, met leugens regisseren we de realiteit. Zelf vergapen we ons aan de droomwerelden die anderen ons voorspiegelen. „Run away”, zegt een stem in de voorstelling; verspil je tijd niet. Maar, net als Vladimir en Estragon in Samuel Becketts toneelstuk Wachten op Godot, blijft iedereen waar hij is, afwachtend, toekijkend.

„We kiezen ervoor onszelf te kalmeren met die mooie plaatjes. Daar houden we van, zo werkt ons brein nu eenmaal. We weten dat we beter iets aan ons eigen leven kunnen veranderen als we ongelukkig zijn, maar we verdoven onszelf met andermans leugens. We raken verzadigd, maar niet bevredigd.”

Achter die uitwisseling van fictief geluk gaapt de leegte en iets wat Øyen „publieke eenzaamheid” noemt. Niet alleen op Facebook, ook in de directe omgang tussen mensen. Billie Holiday zong het al in ‘The End of a Love Affair’, het liedje dat Øyen in de voorstelling laat playbacken: „Do they know, do they care… that the smile on my face isn’t really a smile at all.”

Hoge druk

Internet, denkt Øyen, werkt als vliegwiel bij het opbouwen van telkens meer druk om te performen. In de voorstelling wordt het voortdurende publieke oordeel belichaamd door de ‘judges’, die vaak vanaf de zijkant van het toneel toezien op de activiteiten – niet toevallig veel solo’s – van de anderen. Ze kijken naar het blonde meisje, dat over haar zelfhaat en de onzekerheid over haar lichaam praat. Met armen wordt een frame gevormd en een lichaamsdeel geïsoleerd: selfie! In de groepsdansen stokt de beweging ook meermalen, alsof er even wordt halt gehouden voor een opname.

„Ik ben zo blij dat ik niet nu jong ben. Ik kleedde me nog gewoon om in de kleedkamer, zonder erbij na te denken. Nu worden kinderen op hun zevende al geconfronteerd met ideeën over ‘het ideale lichaam’. De druk is zo hoog, dat het voor mij soms onbegrijpelijk is dat mensen nog functioneren. We hunkeren allemaal naar liefde, maar we zijn experts in onmenselijkheid geworden. Fred Rogers, waar ben je?”

Øyen vertelt over zijn herinneringen aan de Amerikaanse tv-persoonlijkheid Fred Rogers (1928-2003) die ruim dertig jaar lang kinderen (en volwassenen) een hart onder de riem stak in het programma Mister Rogers’ Neighborhood. „Je bent goed zoals je bent, ik vind je oké, ik ben blij dat ik je ken – de liefde en bevestiging straalden van het scherm af. Die boodschap lijkt verloren gegaan. Alles wat je ziet is mensen die worstelen om iets anders dan zichzelf te zijn.”

‘Wat doe je als je niet jezelf bent?’, was dan ook een van de bauschiaanse vragen die Øyen (via Facebook) de zeven dansers stelde bij het begin van het creatieproces van Story, story, die. Lachend: „Dat was een moeilijke! Het vereist grote openhartigheid om dat prijs te geven. Maar het is wat ik in het theater wil zien. Techniek, tekst en bewegingen zijn niet het belangrijkst.” Hij pauzeert even, kijkt enigszins gegeneerd en verontschuldigt zich voor zijn hoogdravendheid: „Oprechtheid, eerlijkheid. Daar gaat het mij om.”

Story, story, die van Alan Lucien Øyen. 2 en 3 juli, Rabozaal ITA, Amsterdam.