Brieven

Brieven

Het artikel Een afro en een lichte tint: je bent geknipt voor de reclame! (22/6), raakt uiteindelijk nét niet de kern: identiteit. Want de rol die de niet-witte Nederlander in onze reclames speelt, is een jammerlijke illustratie van wat ik met lichte ironie het hedendaagse assimilatiefundamentalisme noem. Waar veel politici en media nog steeds het witte Nederland representeren en ‘buitenlandse’ identiteit het liefst zien uitgewist, volgen de meeste reclamemakers trouw. Zij richten zich primair op de kleur van, maar zelden op de verhalen áchter de gezichten. Dat was twee decennia geleden anders, toen de reclamebranche nog niet werd beïnvloed door het diversiteitsdebat. Uniekaas gaf acteurs de ruimte Arabisch te spreken en van Venco mocht dat Berbertaal Tamazight zijn. PTT Telecom liet ons kennismaken met een Surinaams kinderliedje. En telecomprovider Ben stond je toe met een Turkse vlag te zwaaien. Sommige reclamemakers waren toen verder dan nu. Natuurlijk werden er fouten gemaakt en ook – veelal onbewust – stereotyperingen gebruikt. Maar er was léf. Nu bevinden licht getinte reclame-afro’s zich geregeld in gezelschap van witte vrienden of collega’s. Filmlocaties zijn voorspelbaar: een generiek hip stadstentje is gewild, maar een gemixte vriendengroep bij Warung Mini, no way! Het is een misverstand dat reclames met een zwarte cast alleen zwarte consumenten aanspreken. De speelfilms Black Panther en Crazy Rich Asians bewijzen het tegendeel. En de prachtige ‘Lovely Day’-commercial van Plus Supermarkten, eveneens met een zwarte cast, is universeel aansprekend. Het zou mooi zijn als reclamemakers weer lef hebben om baanbrekende campagnes te ontwikkelen, zoals twintig jaar geleden. De reclamewereld kan ons de weg wijzen naar een samenleving die niet alleen fysiek, maar ook mentaal multicultureel is.


eigenaar diversitymarketingbureau TransCity