Opinie

Aanrijding met persoon

Frits Abrahams

Je bent geneigd je eigen sores belangrijker te vinden dan die van een ander, maar er is altijd de werkelijkheid die bereid is om je aan het eind van de dag eens even flink op de vingers te tikken.

Het overkwam mij maandag, samen met ontelbaar veel andere mensen, onder wie, niet te vergeten, mijn vrouw. We veronderstelden dat de hele wereld wel op de hoogte zou zijn en medeleven zou betonen, maar toen we ’s avonds omstreeks acht uur thuiskwamen en het journaal aanzetten, werd daar hoofdzakelijk gepraat over een storing bij… KPN.

Verder was er in het journaal terecht aandacht voor iemand die geheel vrijwillig een krankzinnig eind had gezwommen om geld te verzamelen voor de bestrijding van een ziekte waaraan ook jijzelf dood kon gaan.

We begrepen dat onze eigen ervaringen tegen deze achtergrond volledig verbleekten. Hoe zielig! Wat er gebeurd was? ’s Middags wilden we omstreeks vier uur in ’s-Hertogenbosch de trein terug naar Amsterdam nemen – normaal een gezapig ritje van een uur waarbij je ook nog even een prachtuitzicht op de Waal bij Zaltbommel cadeau krijgt. Maar opeens was er geen enkele reden meer om me op dat reisje te verheugen.

Bij Utrecht was er ‘een aanrijding met een persoon’ geweest. Elke ervaren treinreiziger kent dit eufemisme. Je zou bijna het leed erachter – voor de betrokkene maar ook voor de machinist – vergeten. Zo’n ‘aanrijding’ plant zich voor kortere duur ook als een bijl in de levens van talloze andere mensen. Afspraken, examens, sollicitaties, wedstrijden, operaties, vliegreizen, begrafenissen, huwelijksplechtigheden et cetera worden gemist.

Overal ontstaan op perrons de gebruikelijke chaotische taferelen. Reizigers rennen van perron Hot naar perron Her, aanvankelijk onvoldoende geïnformeerd door NS over alternatieve routes. Wij belandden in Nijmegen en vervolgens in Driebergen-Zeist, waar na lang smelten op het perron een boemeltje naar Amsterdam vertrok. Wij vonden een zitplaats, maar veel mensen moesten, dicht op elkaar gedrukt, een uur lang in de klamme warmte van de coupés staan.

In de buurt van Abcoude keek ik om me heen in die van reizigers uitpuilende trein en moest ik denken aan de overvolle wachtruimtes die ik net in een ziekenhuis had meegemaakt. „Misschien moeten we toch ook maar naar zo’n eilandje in de Polynesische archipel Tonga”, zuchtte ik tegen mijn vrouw.

Ik had daar net een documentaire over gezien – een herhaling uit 2017 – van Floortje Dessing, die er een Australisch gezin sprak. Twee ouders die met hun tienerkinderen de hele dag onder de palmen bij het verder lege strand lagen, als ze niet bezig waren om bij hun hutje in de door niemand anders bewoonde jungle (afgezien van de poema’s, gifslangen en vogelspinnen) hun eigen groenten te verbouwen en hun eigen kokosmelk te drinken.

„Daar kunnen geen personen worden aangereden”, zei ik. „Geen volle ziekenhuizen en treinen. Alleen af en toe een goed gesprek met de plaatselijke medicijnman. En heel misschien Floortje Dessing met haar filmploeg, maar die hoepelen wel weer op”.

„Maar dan ben je vergeten hoe dat afliep”, zei mijn vrouw. „Aan het einde van de uitzending verscheen de mededeling dat hun zoon daar is overleden.”

Ik was vergeten dat je in zekere zin overal kunt worden aangereden.