Voorzitter adviescommissie Raad voor Cultuur stapt op

Subsidieregeling Wim Hupperetz, directeur van het Amsterdamse Allard Pierson Museum, trekt zich terug als adviseur van de Raad voor Cultuur. Reden is een voorstel van minister Van Engelshoven over de controle op rijksmusea.

Wim Hupperetz, directeur Allard Pierson Museum, stapt op als adviseur van de Raad voor Cultuur.
Wim Hupperetz, directeur Allard Pierson Museum, stapt op als adviseur van de Raad voor Cultuur. Foto Olivier Middendorp

Wie controleert het beleid van de rijksmusea: het Rijk, dat subsidie verstrekt, de Raad voor Cultuur, die het ministerie adviseert, of de musea zelf? Voor Wim Hupperetz, directeur van het Amsterdamse Allard Pierson Museum, was het antwoord op die vraag vorige week reden om zich terug te trekken als adviseur van de Raad voor Cultuur. Daar was hij voorzitter van de commissie voor musea en erfgoed.

„Voortaan hoeven rijksmusea geen activiteitenplan meer in te dienen om subsidie te krijgen”, zegt Hupperetz. „Terwijl dat heel belangrijk is: bedenken wat je wilt en waarom. Welk publiek willen we, wat doen we aan educatie, hoeveel eigen inkomen hebben we nodig.”

Zulke activiteitenplannen moeten de 25 musea in Nederland die een rijkscollectie beheren (Rijksmuseum, Van Goghmuseum, Kröller-Müller, Paleis het Loo, enzovoort) nu nog elke vier jaar indienen. Vervolgens krijgen zij geld uit een speciaal subsidiestelsel voor cultuur, de zogeheten basisinfrastructuur.

In april adviseerde de Raad voor Cultuur om dit te veranderen. De rijksmusea zouden voortaan voor al hun subsidie vallen onder de Erfgoedwet, waar hun geld voor behoud en beheer van collectie en gebouw nu al vandaan komt. Voordeel voor de musea: niet elke vier jaar discussie over hun bestaansrecht, niet de rompslomp van een subsidie-aanvraag.

Er was wel een voorwaarde, aldus het advies van de Raad voor Cultuur: de „activiteiten van de musea op artistiek-inhoudelijk vlak”, die nu nog in de activiteitenplannen staan, zouden moeten worden gemonitord door de Raad voor Cultuur. Minister Van Engelshoven (Cultuur, D66) nam het advies over, met één verschil: geen monitoring door de Raad voor Cultuur, maar visitaties die de rijksmusea zelf vormgeven. Aanstaande donderdag praat de Tweede Kamer over de plannen van de minister.

Waarom bent u opgestapt?

Hupperetz: „Ik wilde een signaal geven. Er is nauwelijks gereageerd op deze fundamentele aanpassing van ons advies. Terwijl het grote impact heeft, het is bizar dat dit gebeurt.”

Want?

„Kijk, het is niet zo dat de activiteitenplannen aanleiding waren voor het niet geven van subsidie, de marges bedroegen hooguit vijf tot tien procent. Maar die plannen zijn wel heel belangrijk. Ze maken dat musea nadenken over waar ze heen willen. Dat is van belang voor het kritisch vermogen van een organisatie – en van alle musea samen. Zoals in ons advies stond: juist de rijksmusea moeten innovatief zijn, die hebben een voorbeeldfunctie.”

Waarom is er dan niet tegen het voorstel van de minister geageerd? Bijvoorbeeld door de musea die bij gemeente of provincie plannen moeten inleveren om subsidie te krijgen?

„Het is nogal een technische kwestie, dat speelt mee. Niet iedereen is dit aangepaste voorstel opgevallen. En voor de rijksmusea geldt: ze krijgen een comfortabele positie. Die verwijt ik ook niks, ik begrijp dat ze het ermee eens zijn. Maar het is een slecht signaal. Er ontstaat mogelijk een nog grotere kloof met de kleine en middelgrote musea, die wel worden afgerekend op de plannen die ze moeten inleveren.”

Wat kan er fout gaan?

„Op de korte termijn misschien wel niks. Maar daar gaat het niet om. Het gaat erom dat vooral de rijksmusea het voortouw moeten nemen in onze visie op de toekomst van het museale veld, dat ze onderwerpen agenderen en dat daarover kan worden gepraat. Nu wordt juist deze groep daarvan vrijgesteld.”