Recensie

Recensie Film

‘Toy Story 4’ gaat over zingeving in een onttoverde wereld

Animatiefilm In ‘Toy Story 4’ leert speelgoed overleven zonder wispelturige kindergoden. Een perfect uitgevoerd, hilarisch avontuur dat uitnodigt tot bespiegeling.

Woody en Bo Peep ontmoeten Duke Caboom, een faalangstige motorstuntman uit Canada.
Woody en Bo Peep ontmoeten Duke Caboom, een faalangstige motorstuntman uit Canada. Still uit ‘Toy Story 4’ ©2019 Disney•Pixar. All Rights Reserved.
    • Coen van Zwol

Vervolgfilms staan niet hoog in aanzien, zeker niet als nummer vier is bereikt. De laatste druppel vreugde is dan allang uit de reeks gewrongen. Zo niet bij het vierde deel van Toy Story, die in 1995 debuteerde als ’s werelds eerste 3D-animatiefilm en de naam van studio Pixar vestigde.

Toy Story draait om het speelgoed van jochie Andy. Zonder hem leiden ze een verborgen leven, is hij thuis dan doen ze alsof ze dood zijn. Primus inter pares in de jongenskamer is cowboy Woody, Andy’s favoriet. In deel één probeert hij uit jaloezie de nieuwe favoriet, astronaut Buzz Lightyear, uit de weg te ruimen, om hem daarna berouwvol uit de klauwen van een vernielzuchtige buurjongen te redden.

Elke Toy Story-film draait om redding, ontsnapping en hereniging, maar telkens vindt Pixar nieuwe emotionele resonantie. Deel twee ging over verzamelspeelgoed dat nooit uit het cellofaan komt: een leeg bestaan. In deel drie is Andy opgegroeid en belandt zijn oude speelgoed in een kleuterschool annex concentratiekamp: een verhaal over verlating en trauma waarin Woody en zijn vrienden in een klassieke scène gelaten de dood in de vuilverbranding aanvaarden.

Zover kwam het niet, kleutertje Bonnie diende zich als nieuw baasje aan. Zodat dit deel nog wat stevige noten heeft te kraken: het is veel meer dan een prachtige epiloog. Kan speelgoed zijn afhankelijkheid van wispelturige kindgoden overwinnen? Of gaat Toy Story inmiddels eigenlijk over ouderlijke verlatingsangst als de kinderen uit huis gaan? Over het legenestsyndroom?

Bonnie raakt ditmaal op cowboy Woody uitgekeken, die in reactie geobsedeerd raakt door haar geluk. Hij ziet dat als nobele zelfverloochening, maar is het niet vooral existentiële leegte? Als Bonnie uit een plastic vorkje een stuk speelgoed knutselt, raakt ze verknocht aan die creatie. Zo komt Forkie tot leven, maar hij blijkt op kampeervakantie een suïcidaal Frankenstein-monster dat zich in paniek in elke beschikbare vuilnisbak stort. Waarom leeft hij toch? Hij is een wegwerpartikel.

Woody redt Forkie met groeiende verbetenheid: hoe kan hij verwerpen wat Woody zelf zo vurig begeert? Tijdens de zoveelste reddingsactie belanden Woody en Forkie in een antiekshop bij een pretpark waar de antieke pop Gabby Gabby met haar sinistere leger buiksprekerpoppen de scepter zwaait. Zij verliet ooit de fabriek met een kapot stemmechaniek en aast op Woody’s beter functionerende apparaat. Die dreigende orgaantransplantatie leidt tot morbide taferelen met scheurende naden en uitpuilend kapok, al blijkt Toy Story 4 uiteindelijk een avontuur zonder echte schurken.

De oude vrienden van Woody spelen een bijrol; de helden van Toy Story 4 zijn de ‘lost toys’ van het pretpark. Perfect ontworpen personages als Duke Caboom, een faalangstige motorstuntman uit Canada, of het duo Bunny en Ducky, twee pluizige kermisknuffels met een veel te levendige fantasie. Woody vindt ook zijn oude liefde terug, herderinnetje Bo Peep. Zij werd ooit liefdeloos verkocht en is nu een vrolijke, autonome overlever.

Pixar wil er vast niet zo mee adverteren, maar dit – laatste? – deel gaat over leven na de kinderen of zelfs over geloofsafval, zingeving in een onttoverde wereld. Nogal grote woorden bij een perfect vertelde en bij vlagen hilarische kinderfilm die van ontsnapping naar achtervolging dendert. De magie van studio Pixar is nu juist dat het in zo’n dwaze context tot zulke bespiegeling uitnodigt.