Opinie

Slapen

Ellen Deckwitz

Op hete dagen is de slaap een jack russell die niet komt opdraven hoe hard je ook roept, en dus lag ik vannacht naar het plafond te staren. Toen ik tegen half vier de dromen nog steeds niet had weten te lokken kroop ik maar naar de bank. Ik pakte mijn mobiel erbij. De meeste van mijn contacten sliepen, maar van eentje wist ik zeker dat hij al op was: mijn vader. Die heeft sinds zijn vijftiende aan drie uur slaap per nacht genoeg. Ik streelde mijn beeldscherm, twijfelend of ik hem een berichtje moest sturen. Ik dacht aan de laatste keer dat ik hem omhelsde. Hij heeft, weten we sinds kort, een niet te opereren aneurysma. Ik hield hem voorzichtiger vast, bang dat die slagader door te veel genegenheid zou knappen.

Naast me op de bank deed het net verzamelde werk van dichter en held Frank Koenegracht een dutje. Ik sloeg de bundel open (hij protesteerde aanvankelijk maar gaf toch mee), bladerde wat en stuitte op ‘Slaapliedje’: „Ik ga slapen want ik heb slaap./ Slapen is het mooiste./ Mensen die te veel waarheden/ tegen zich aanklemmen slapen niet.” Hm. Ik dacht dat ik niet kon slapen van de hitte, maar er was daarnaast ook een waarheid die ik die nacht tegen me aan had geklemd en die me wakker hield: de gedachte dat slaap zo zonde is van je tijd. Vooral omdat onze geliefden uit elkaar vallen waar we bij staan. Al die uren die noodzakelijk worden opgeofferd aan rust, uren die ik liever had gevuld met vrienden met wie ik, toen ze me kwamen te ontvallen, nog lang niet was uitgepraat. Die ik liever zou vullen met mijn vader, voor die slagader knapt.

De slotstrofe van ‘Slaapliedje’ opent met de regels: „Door een kleine leugen daarentegen/ verkrijgt men een slaap als een roos.” Eigenlijk, dacht ik, wordt iedere vorm van nachtrust mogelijk gemaakt door onwaarheden. Dat alles goed komt. Dat je veilig bent. Allemaal kleine ficties die uiteindelijk leeg zijn, want we zijn sterfelijk, de tijd zal ons wegvagen en we kunnen daar niets aan doen.

Ik woog mijn telefoon in mijn hand. Als ik mijn vader berichtte deed ik iets met de tijd die ons nog restte, maar zou ik morgen uitgeput zijn. Ik kon er ook voor kiezen te geloven dat we nog alle tijd van de wereld hadden, en me daardoor te laten verdoven.

Uren later werd ik wakker. Ik stond op en keek even walgend naar mijn bed. Stomme nachtelijke bunker, dacht ik, waar we even veilig lijken voor alles wat ons overdag weer boven het hoofd hangt. En alle spijt die dat met zich meebrengt.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.