NAM moet ‘geobjectiveerde’ waardedaling vergoeden

Economie en recht Deze rubriek belicht elke week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Ditmaal civiel recht: schade door gaswinning.

Schade na een beving van 2.5 op de Schaal van Richter op het Groningse platteland.
Schade na een beving van 2.5 op de Schaal van Richter op het Groningse platteland. Foto Anjo de Haan/Hollandse Hoogte

Bijna tien jaar had hij geboerd op het Groningse platteland toen hij zijn boerderij met ruim 71 hectare grond in september 2013 te koop zette voor 4.892.500 euro. Een half jaar later deed hij zijn bezit van de hand voor 4 miljoen euro. Of de Nederlandse Aardolie Maatschappij, exploitant van de gasbel onder zijn perceel, het verschil maar even wilde bijpassen. De NAM is immers aansprakelijk voor schade door bodemdaling en aardbevingen in het gebied als gevolg van de gaswinning. Maar de rechtbank in Assen wees de claim vorige week af. De taxatie door de makelaar, waarop de vraagprijs stoelde, was volgens de rechtbank „niet objectief te verifiëren” en, belangrijker nog, het was „ongewis” gebleven hoe deze het aardbevingsrisico had meegewogen.

Geluk bij een ongeluk was dat de ex-boer zijn voormalige bezit een jaar na verkoop had aangemeld bij de door de NAM opgezette Pilot Waardedaling Agrarische Bedrijfspanden. In dit proefproject werd gekeken of en in welke mate sprake was van waardedaling door aardbevingsrisico’s bij verkocht agrarisch vastgoed. De deskundigencommissie van de pilot concludeerde begin vorig jaar dat de gerealiseerde opbrengst van 4 miljoen euro „marktconform” was en dat de verkoopprijs in een vergelijkbaar gebied zonder aardbevingsrisico 4.384.000 euro zou zijn geweest. Deze objectieve becijfering kon de rechtbank overtuigen. Van het waardeverschil wilde de NAM 112.000 euro vergoeden als „aardbevingsgerelateerd”. De rest van de waardedaling kwam volgens de NAM door de bedrijfsvoering van de ex-boer. Voor dat deel achtte zij zich niet aansprakelijk. Dat verweer wees de rechtbank af, omdat de deskundigencommissie „geen persoonsgerelateerde factoren voor waardevermindering” had vastgesteld. De NAM moet het hele waardeverschil (384.000 euro) vergoeden, plus rente vanaf de verkoopdatum.

Uitspraak: ECLI:NL:RBNNE:2019:2612