Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Hitteplan

Marcel van Roosmalen

We reden naar mijn moeder. „Mag ik oma water geven?”, vroeg de oudste dochter vanuit haar zitje. „Papa zegt dat ze een plant is.” „Oma is geen plant”, zei ik. „We gaan kijken of ze het niet te warm heeft en of ze wel genoeg drinkt.”

Nou, er was weer van alles aan de hand, maar te warm had oma het niet. Het was zelfs koud in haar rijtjeshuis. Ze had een vest aan.

Ineens besefte ik: ze draait al jaren de seizoenen om. ’s Winters draait ze de thermostaat helemaal naar rechts, dan drentelt ze als een wandelende tak wat rond in haar eigen terrarium.

„Jezus, wat lekker”, zei de vriendin die een bloedhekel aan te mooi weer heeft want we waren weer als gekookte kreeften uit de auto gerold. „Hoe doe je dat?”

„Waaaaat?”

„Hoe krijgt u het zo koel?”

Als ze me een vraag stellen ga ik ’m beantwoorden ook, moet mijn moeder gedacht hebben, want hup daar ging ze. Dat je een paar dagen voor het warm wordt alle ramen en deuren alvast moet dichtdoen. Net als de gordijnen.

En nooit opendoen, behalve dan voor bezoek.

Dat je heel veel ijsklontjes moet maken, zodat je plastic teiltjes met ijsklontjes voor de ventilatoren kunt zetten. Dat je ook ijsklontjes in handdoeken kunt doen.

Oeverloos en eindeloos. Ze deed voor hoe ze deuren, ramen en gordijnen open en dicht kon doen.

Open – dicht – warm – koud.

Open – dicht – warm – koud.

„Ja, nu weten we het wel”, zei ik, maar mijn moeder ging door. „Zal ik koffiezetten? Want het is hier gewoon koud.” Ze liet haar armen zien aan de kleinkinderen. „Kijk, kippenvel.”

Mijn oudste dochter keek haar streng aan.

„Jij bent een plant, jij krijgt water.”

„Ik drink al heel veel water”, zei mijn moeder. „Hele glazen. Maar ik heb geen dorst want het is hier niet warm. Dat komt: de gordijnen zijn dicht, net als de deuren en ramen.”

Klapstuk: „Ik zie vaak op televisie pas of de hitte weg is. En dan doe ik alles open.”

Ze zette de televisie aan.

Zappelin: Bumba, dat schijtlollige clowntje.

„Nog steeds mooi weer”, concludeerde mijn moeder en ze zette de televisie uit, maar de kinderen hadden lont geroken.

Geschreeuw om Zappelin, maar de televisie bleef uit.

En zo zaten we bij elkaar in het schemerlicht, dampende kop koffie op schoot, te wachten op de zuster van de trombosedienst en tot het weer voorbij was.

„Was het maar mooi weer”, zei mijn moeder tegen de oudste, „dan kon de deur open en kon je lekker buiten spelen.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.