Opinie

    • Maxim Februari

Hardnekkig perspectief op de mens: dat van jezelf

Maxim Februari

Twintig jaar geleden hoorde ik een verhaal over een heteroseksuele burgemeester van een grote stad. Die sprak een zaal vol rechtsgeleerden toe. Hij vertelde ze over zijn rijke beroepsleven, de grote variatie aan verplichtingen, dagelijks viel hij van het ene uiterste in het andere. „Neem vandaag. Nu sta ik voor dit gezelschap, maar hierna ben ik weer in een tegenovergestelde hoek van de samenleving te vinden.” Hij lachte besmuikt. „Straks ga ik naar het COC.” De zaal staarde hem glazig aan. Tegenovergesteld? Bijna de helft was zelf lid van het COC.

Er valt niet aan je eigen perspectief te ontkomen. Sprekers kijken een zaal in en ze zien eigenlijk alleen zichzelf zitten. De hetero’s zien een zaal vol hetero’s. Vaders en moeders zien alleen maar vaders en moeders. Mannelijke sprekers bekijken de aanwezige vrouwen aandachtig en zijn ervan overtuigd dat het mannen zijn. „Heb je dat ook weleens?”, vragen ze. „Dat je je ’s ochtends tijdens het scheren aan je vrouw vertelt waarom je hebt besloten te gaan speculeren tegen de yen?”

Maar goed, sinds kort hebben we diversiteit. Dat is mooi. Dat begrip moet je overtuigen van de onderlinge verschillen in het publiek en van het unieke van ieder mens afzonderlijk. Helaas is het wel een lastig begrip, dat je je niet gauw eigen maakt. Het particuliere perspectief op de mensheid is nu eenmaal hardnekkig. Soms staat iemand in de zaal op om aandacht te vragen voor de eigen uitzonderingspositie en die vergeet dan weer finaal de uitzonderingspositie van de ander.

Een voorbeeld. De homoseksuele schrijver Edmund White gaf vorige week een interview aan NRC. Het verscheen onder de kop „Het leven van homo’s lijkt volstrekt niet op dat van hetero’s”. Homoseksuele schrijvers, zei White, moeten metaforen ontwikkelen om recht te doen aan hun specifieke ervaringen. Inderdaad, goed voor de diversiteit, zou je denken. Maar voor zwarte schrijvers was dat recht doen aan specifieke ervaringen volgens White minder urgent. Die konden wel gewoon schrijven over trouwen en kinderen krijgen. „Het leven van een zwarte heteroseksueel is min of meer een licht vervormde spiegel van het leven van een witte heteroseksueel.”

Zo trek ik uit de diversiteitsdiscussie langzamerhand de conclusie dat alle mensen divers zijn, maar sommige mensen meer divers dan andere. Ik stel ook vast dat van alle diverse mensen de vrouwen nog het allerdiverst zijn. Als de TU Eindhoven van haar eenvormigheid af wil, besluit ze in het vervolg alleen vrouwen aan te nemen. In de lijn van Edmund White moet de universiteit hebben gedacht: zwarte mensen zijn een soort mannen, dus die redden zichzelf wel. En homo’s zijn een soort mensen-met-een-beperking en mensen-met-een-beperking zijn een soort vrouwen. Geef de vrouwen een baan, en je hebt in één klap alle zorgenkinderen gehad.

Onder de vrouwen zijn sommigen dan weer diverser dan anderen. De laatste tijd valt me op dat geslaagde vrouwen zich vaak aan me voorstellen met de opmerkelijke tekst „Ik ben de eerste vrouw die …” „Ik ben de eerste vrouw die leiding geeft aan een beursgenoteerd straaljagerbedrijf op Marken.” „Ik ben de eerste vrouw die een miljoen heeft geschonken aan een muziekschool in Mozambique.” De constructie is een vreemde mengeling van machtsvertoon en emancipatieretoriek. De maatschappelijk geslaagde vrouw is een opperdivers wezen geworden.

Maar hoe zit het dan met de toenemende religieuze druk op de positie van vrouwen, vragen veel vrouwen me streng. Kan ik me niet eens in die reële bedreiging verdiepen? Dus ik me verdiepen, en, o, de dingen die ik te weten ben gekomen! Dat SGP-vrouwen erg van seks houden, bijvoorbeeld. Je moet ze in Eindhoven niet aannemen, want ze komen nauwelijks aan werk toe. Het stond in de Volkskrant en er stond bij dat de SGP-vrouwen weliswaar zelf veel aan seks doen – „we krijgen niet voor niets meer kinderen dan gemiddeld” – maar dat homo’s geen seks mogen. Het heeft iets met een hoge moraal te maken. Dat je zelf iets wel mag en de anderen niet.

De eigen groep meer gunnen dan een ander: mij lijkt het nooit erg gelukkig. Niet als invulling van diversiteitsstreven, niet als uitwerking van welke superieure moraal ook. Laat ik daarom afsluiten met een verhaal dat zich aan vaste groepsindelingen onttrekt. Het verhaal van Rose Cleveland, de ‘eerste lesbische First Lady van de Verenigde Staten’.

Van 1885 tot 1886 trad Rose, het zusje van president Grover Cleveland, op als First Lady. Daarna kreeg ze een relatie met Evangeline Simpson Whipple. Ze zijn naast elkaar begraven in Italië; hun brieven werden zojuist gepubliceerd. „Mijn Clevy, mijn Viking, Mijn — Alles” schreef Evangeline aan Rose. „God Bless You.” En dat deed Hij.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.