Door slavernij bleef Holland een handelsnatie van belang

Pepijn Brandon Slavernij was eind 18de eeuw bijna even belangrijk voor de economie als de Rotterdamse haven nu, blijkt uit nieuw onderzoek. Ook mensen uit de middenklasse hadden deel aan deze welvaart.

Een aquarel van twee tot slaaf gemaakte mannen werken op het land. Ze graven een afwateringskanaal op een Surinaamse plantage.
Een aquarel van twee tot slaaf gemaakte mannen werken op het land. Ze graven een afwateringskanaal op een Surinaamse plantage. Beeld Rijksmuseum

Is het nou veel, of valt het wel mee? Dit zijn in ieder geval de cijfers: 5,2 procent van het Nederlandse bruto binnenlands product (van 440 miljoen gulden) en 10,36 procent van het bbp van de rijkste provincie Holland was in 1770 op slavernij gebaseerd. Dat blijkt uit een vijf jaar durend onderzoek waarvan woensdag de resultaten zijn gepubliceerd in het Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis. Het is voor het eerst dat op systematische wijze is geanalyseerd hoe belangrijk de slavernij was voor de Nederlandse economie als geheel.

Lees ook: ‘Economie dreef op de slavernij

Historicus Pepijn Brandon is werkzaam bij de Vrije Universiteit in Amsterdam en het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam. Hij is samen met Ulbe Bosma auteur van het artikel en vindt de percentages „aanzienlijk, en zeker niet marginaal. Er is lang gedaan alsof de slavernij nauwelijks van belang was voor de Nederlandse economie. Dat kun je met deze cijfers niet meer volhouden. Ter vergelijking: het aandeel van de haven van Rotterdam aan de Nederlandse economie bedroeg in 2017 6,2 procent. Niemand zal beweren dat Rotterdam van marginaal belang is voor Nederland.”

Waarom bent u op zoek gegaan naar de economische impact van de slavernij?

„De discussie over hoe belangrijk slavernij nou was voor de Nederlandse geschiedenis leeft natuurlijk enorm in de maatschappij. Eén component van die discussie is de vraag naar de economische betekenis ervan. Gek genoeg is daar in het verleden wel veel over gepraat, maar is er nooit nauwkeurig onderzoek naar gedaan. Tot nu toe werd alleen rekening gehouden met de directe opbrengst van de slavenhandel, zo’n 0,5 procent van het bbp, maar niet met de opbrengst van goederen als koffie, tabak, suiker en indigo, die door tot slaaf gemaakten werden geproduceerd. Daar werd het meeste geld mee verdiend, dus het is van belang die handel in kaart te brengen.”

Hoe heeft u dat gedaan?

„Uit eerder onderzoek is bekend hoe groot het bbp van Nederland in deze periode was en hoe groot verschillende deelsectoren als landbouw, nijverheid en scheepvaart waren. Met die getallen als basis zijn we aan het werk gegaan.

„Het volume van de handelsstromen hebben we kunnen achterhalen dankzij belastingcijfers. Die gegevens zijn niet bijzonder nauwkeurig, dus daar moet je allerlei schattingen en correcties op toepassen. Uiteindelijk heb je dan, bijvoorbeeld, de totale omvang en waarde van de stroom suiker die werd ingevoerd.

„Tamira Combrink, een promovenda in ons project, is vier jaar bezig geweest met het in kaart brengen van wat er werd verdiend met en rondom koffie en suiker. Ze heeft daarbij oude boekhoudingen gebruikt, maar ook handboeken voor plantagemanagers.

„Haar onderzoek liet zien dat veel goederen die in Nederland werden verwerkt niet uit Nederlandse koloniën kwamen en niet via Nederlandse havens Europa bereikten. Ruim eenderde van alle suiker, ter waarde van ongeveer 8 miljoen gulden, kwam van de Franse slavenkolonie Saint-Domingue [het huidige Haïti, red.] en werd via Franse havens geïmporteerd.

„Uiteindelijk komen we voor 1770 op een gecombineerde waarde van de verschillende op slavernij gebaseerde handelsstromen van 57,3 miljoen gulden, ruim 23 procent van alle Nederlandse handel. Het grootste deel daarvan, ruim 19 procent van alle handel, bestond uit de import en her-export van suiker, koffie, tabak en andere door slaven geproduceerde goederen.”

Heeft u zich beperkt tot handelsopbrengsten?

„Nee, want die alleen zijn niet genoeg voor het berekenen van de impact van slavernij op het bbp. Daarvoor moet je de totale toegevoegde waarde van de verschillende op slavernij gebaseerde activiteiten vaststellen. Alles wat mensen aan een economische activiteit verdienen – daar zitten de winsten in, maar bijvoorbeeld ook de lonen van matrozen die de suiker vervoerden – komt terecht in die toegevoegde waarde. In de berekening moet dan nog wel rekening gehouden worden met de kosten.

„Gerhard de Kok, de tweede promovendus in ons project, heeft gekeken wat de impact was van door slaven geproduceerde goederen op de economie van Walcheren. Dat leerde ons welke andere economische sectoren profiteerden van deze handel. Ten slotte heb ik zelf samen met de postdoc Karin Lurvink onderzoek gedaan naar verzekeringen en de financiële sector, want net zoals tegenwoordig kwam de winst niet alleen terecht bij directe investeerders, maar ook bij mensen die via allerlei financiële constructies deelnamen aan de import en export van producten.

„Hierna zijn we aan het rekenen geslagen om te zien hoeveel er in diverse economische sectoren werd verdiend. Dat is een heel nauwkeurig werkje geweest, waarbij we bijvoorbeeld moesten bepalen welk percentage van de scheepsbouw werkte voor de Atlantische handel.”

Hoe weet je welke schepen gebouwd werden om suiker en koffie te importeren en welke schepen voor goederen uit het Oostzeegebied?

„Doordat we het volume wisten van de goederen die van de plantage kwamen, konden we beredeneren hoeveel scheepsruimte er nodig was om die spullen hier te brengen. Als je dat cijfer naast de boekhouding van de scheepswerven legt, weet je welk deel van de daar vervaardigde schepen betrokken moet zijn geweest bij deze handel.”

Waar trek je de grens bij het bepalen van welke economische activiteiten te maken hadden met de slaveneconomie? Zit daarbij ook het loon van de houthakker die de bomen velde waarvan de schepen zijn gebouwd?

„Nee. Onze cijfers gaan uit van een voorzichtige schattingsmethode. Wat wij hebben opgeteld zijn alle goederen die door slaven zijn geproduceerd, de verwerking en verkoop daarvan en alle directe leveranciers die bij dit proces betrokken waren. We hebben dus geen multipliereffect gehanteerd. Ja, de bakker bakte ook brood voor Amsterdamse scheepsbouwers. Maar als je zo redeneert, heeft uiteindelijk alles met alles te maken, en kan je geen zinnige uitspraken meer doen over de omvang van de economie die van het plantagecomplex afhankelijk was.”

Wie profiteerden er van slavenarbeid?

„Er is een Amsterdamse bron uit de achttiende eeuw die stelt dat veel mensen ‘een stuk brood’ verdienden aan de slavernij. Voor de meeste betrokkenen bleef het bij dit basale levensonderhoud. Zij werkten ook vaak onbewust mee aan deze economie. Dat gold niet voor de elite. Die investeerde op grote schaal in de plantages en handel in het Atlantisch gebied. In moderne termen: the one percent. Maar vergeet niet dat via beleggingsconstructies ook mensen uit de middenklasse deel hadden aan deze welvaart.”

U beweert dat de cijfers voor 1770 gelden voor het hele eind van de achttiende eeuw. Waarom?

„We zijn op zoek gegaan naar een jaar waarin de handelsstromen niet wild fluctueerden door externe factoren als oorlogen. Verder was in 1770 de Surinaamse economie min of meer tot volle wasdom gekomen en de productie daar blijft in de periode hierna redelijk constant. Ook de internationale handel was op dit moment volgroeid. Daarom is het redelijk om aan te nemen dat 1770 een goede afspiegeling vormt van deze periode.”

In het artikel stelt u dat de slavernij ‘de kurk is waar de Nederlandse economie op dreef’. Is 5 procent van het bbp niet een beetje kleine kurk?

„We willen natuurlijk niet beweren dat de economie plat lag als je die 5 procent weghaalt. Maar de Nederlandse economie maakte een moeilijke tijd door aan het eind van de achttiende eeuw: veel sectoren stagneerden of lieten zelfs achteruitgang zien. Alleen de landbouw en Atlantische handel toonden grote dynamiek. De op slavernij gebaseerde economie was goed voor 40 procent van de economische groei tussen 1739 en 1779. Door de slavernij bleef Nederland een handelsland van mondiale statuur.”

De discussie over de slavernij is zeer beladen. Welke bijdrage hoopt u met uw onderzoek te hebben geleverd?

„In het verleden is de grote betekenis van de slavernij voor de Nederlandse geschiedenis vaak te makkelijk weggewuifd. Door de slavernij af te doen als marginaal, bagatelliseer je ook het leed dat met de slavernij gemoeid was. Dit is geen goede omgang met beladen onderwerpen uit het verleden, maar het blijkt nu dus ook feitelijk onjuist. Het is aan de wetenschap om de feiten te leveren waardoor dit debat zuiverder kan worden gevoerd.”

U gebruikt in uw artikel het vanuit het activisme overgekomen neologisme ‘tot slaaf gemaakten’. Waarom doet u dat? Onvrijheid was in lange periodes van de geschiedenis de norm. We noemen Middeleeuwse lijfeigenen toch ook geen ‘tot boer gemaakten’?

„Wij gebruiken zowel de term ‘slaven’ die voor het grote publiek het meest herkenbaar is, als de term ‘tot slaaf gemaakten’, die overigens is overgenomen uit het Noord-Amerikaanse wetenschappelijk debat. Die laatste term wordt tegenwoordig vaak gebruikt, om aan te geven dat ‘slaaf’ niet een inherente conditie was maar een positie waarin mensen door dwang werden geplaatst en gehouden. Bewustzijn van dat feit helpt om ontmenselijkend taalgebruik te voorkomen. Juist in de discussie over de economische gevolgen van slavernij is dat belangrijk. In de literatuur zie je nog steeds wel eens een puur boekhoudkundig perspectief terug: ‘Een lading van 200 stuks slaven afgeleverd aan de kust van Suriname.’ Dat soort ontmenselijkende constructies hebben we proberen te voorkomen, en daar helpt het gebruik van deze term bij.”

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Vandaag: Hoe lucratief was de slavernij nou écht voor Nederland?
U kunt zich ook abonneren via Apple Podcasts, Stitcher, Spotify, Castbox of RSS.